Moppen

De beste moppentapper ter wereld is mijn neef Bert van Zoest.
Ik zeg neef, maar ik zou eienlijk broer moeten zeggen, omdat we hebben afgesproken dat ik zijn broer honoris causa ben, op basis van wederkerigheid. Onze gesprekken vinden wegens de vele kilometers die ons scheiden meestal telefonisch plaats. Tijdens die gesprekken laat hij nooit na om mij, temidden van al onze onderwerpen, een mop te vertellen. Immer een goeie.
De laatste ging als volgt.
Een man loopt langs een kanaal, wil naar de overkant, maar er is geen brug. Het was in België. Gelukkig ziet hij aan de overkant een man. Dus roept hij: 'Hoe kom ik aan de overkant?' Zegt die Belg: 'Daar bent u al.'
Deze is van recente datum, vandaar dat ik hem nog kan doorvertellen. Voor het onhouden van moppen heb ik geen talent. Uit mijn leven zijn er drie die ik nog vertellen kan.
Een overbekende is die van de man die in een Arabisch land een kameel huurt om daarop eens een exotisch tochtje te maken. Hij kent geen woord arabisch, maar de kameelverhuurder maakt hem duidelijk dat hij 'poeh poeh' moet zeggen om de kameel tot lopen te bewegen. Wil hij dat de kameel stopt, dan is één keer 'Poeh' voldoende. Zo gezegd zo gedaan. Na een paar keer oefenen trekt de reiziger de woestijn in. De kameel hobbelt vrolijk voort, maar tot zijn schrik ziet de man dat het dier zich in de richting van een steile afgrond begeeft. Op het laatste moment krijgt de man de goede gedachte om 'Poeh' uit te stoten. Op nog geen millimeter van de rand van de peilloze diepte stopt het gehoorzame dier. Opgelucht zucht de man 'Poeh poeh'.
Deze mop zal ik vrijwel nooit aan iemand vertellen, omdat ik aanneem dat iedereen hem al kent.
Een andere vertel ik misschien wel vaker dan mijn aangesprokenen lief is, wanneer ik vergeten ben dat ze hem uit mijn mond al eerder hebben gehoord.
Een man rijdt in zijn auto rustig naar zijn huis even buiten de stad. Hij haast zich niet. Zijn vrouw is een paar dagen naar haar moeder, die ergens ver weg woont. Door zijn matig tempo ziet hij op tijd de kikker die midden op de weg zit. Hij stopt. De kikker roept: 'Mag ik mee?' Verbazing uiteraard. Maar och, waarom niet? Hij opent het portier en de kikker springt naar binnen, neemt zwijgend naast hem plaats. Bij zijn huis verlaat de kikker samen met de man de geparkeerde wagen, gaat voor de huisdeur zitten, kijkt hem vragend aan en zegt opnieuw 'Mag ik mee?' (Wanneer ik de mop vertel zeg ik lijzig 'Ma'k mee?' en trek er een guitig gezicht bij.) Och, waarom niet? denkt de man. Opent de deur en de kikker wipt naast hem naar binnen. De man maakt zich wat eten klaar, geeft ook de kikker een slablaadje of zoiets. Gaat dan tv zitten kijken, met een belangstellende medekijker op de bank naast zich. Begeeft zich naar de slaapkamer. Voor de slaapkmerdeur zit die dekselse kikker weer: 'Ma'k mee?' Och, waarom niet? De man trekt voorzichtig de deken ook over het diertje naast hem. Midden in de nacht wordt hij wakker. Geschreeuw. Wat is dat? Het is zijn vrouw in de deuropening. Onverwacht teruggekeerd. Staat te schelden. Hij begrijpt er niets van. Dan kijkt hij naast zich en ziet dat zich een wonder heeft voorgedaan. De kikker is op miraculeuze wijze veranderd in een beeldschone jonge vrouw. En laat zijn vrouw nou het verhaal van die kikker niet geloven.
Waarom dit mijn favoriete mop is, zit hem natuurlijk in de bijzondere structuur. De ervaring heeft me geleerd dat maar zeer weinigen die waardering echt volledig met me delen.
Eén mop heb ik uit de bezettingstijd overgehouden. Toen ik twaalf of dertien was vertelden wij jongens elkaar deze.
Twee mensen praten met elkaar. Zegt die ene: 'Weet jij waarom Napoleon een rood vest aan had?' 'Nou?' Omdat ze het dan niet konden zien als er een kogel in zijn lijf was gekomen.' 'O', zegt die ander: 'Nou begrijp ik waarom Hitler een bruine broek aan heeft.'
Een soort verzetsdaad, toen.
