Skip to Content

Marx, dichter

 Marx, dichter

Marx was behalve een 'strong thinker' ook en vooral een groot taalkunstenaar. Omdat het geheel van zijn filosofische denkbeelden - verkeerdelijk - als wetenschappelijk is bestempeld, heeft Karl Popper het op zich genomen om voor wetenschappelijke uitspraken een voorwaarde op te stellen: ze dienen falsifieerbaar te zijn.

Dat was niet overbodig in een tijd dat het stempel 'wetenschappelijk' gehanteerd werd om autoriteit te verlenen aan een samenstel van geopperde ideeën, die grote overtuigingskracht bezaten.

Maar Marx was een mens, geen onmenselijke dictator. Een mens met ideeën, met mededogen ten aanzien van ongelukkige, want uitgebuite, medemensen. En dichter, iemand met taalgevoel. Hij vertaalde van Tacitus 'Germania' en van Aristoteles de 'Retorica'.

Het Communistisch Manifest, dat hij samen met zijn vriend Engels opstelde, laat het dichterlijk karakter van de tekst al in zijn eerste regel merken: 'Ein Gespenst geht herum in Europa'. Er waart een spook door Europa. Wie kent de regel niet? Hij ligt minstens even verankerd in onze oren als 'Domweg gelukkig in de Dapperstraat'.

Het Communistisch Manifest, bevat zo lees ik bij Wheen, ook iets verrassends,'een lyrisch lofdicht op het werk van de bourgeoisie'.

(Tussen haakjes: vertaalster Mulder gebruikt het woord 'burgerij'. Ik prefereer 'bourgeoisie', vanwege de culturele connotatie. Verder houd ik me graag aan haar vertaling.)

De bourgeoisie, dat is de klasse die mensen uitbuit, die het bestaan van mens en maatschappij bedreigt, in de ogen van Marx. De bourgeoisie, stelt, Marx, produceert haar eigen doodgravers. Wheen wijst er op dat Marx echter dacht dat hij bezig was een grafrede te maken. Daarom kon hij zich veroorloven om genereus te zijn tegen een al overwonnen tegenstander. Wheen citeert het Communistisch Manifest:

'De gevestigde bourgeoisie heeft in de geschiedenis een hoogst revolutionaire rol gespeeld. De bourgeoisie heeft, waar zij de bovenhand heeft gekregen, alle feodale, patriarchale verhoudingen beëindigd. Ze heeft de bont geschakeerde feodale banden die de mens verbonden aan 'van nature boven hem geplaatsten', meedogenloos verscheurd en geen andere van mens tot mens overgelaten dan het naakte eigenbelang, dan de ongevoelige 'contante betaling'. Zij heeft de hemelse verrukking van de vrome dweperij, van ridderlijke geestdrift, van kleinburgerlijke weemoed verdronken in het ijskoude water van egoïstische berekening. Zij heeft de persoonlijke waardigheid opgelost in ruilwaarde.'

Dat zijn zeer fraai geformuleerde regels die aan verontrustende geldigheid nog niet veel verloren hebben.