Afluisteren
Een fietsend ouderpaar komt voorbij met een dochtertje. Ik vang toevallig een stukje gesprek op. 'Waar blijft Floris toch?' vraagt moeder. 'Die komt wel', anwoordt vader.
Er hoort dus ook nog een Floris bij dit voorbijfietsend gezinnetje. Dat kan ik eenvoudig concluderen. En ik concludeer bovendien: vader vindt moeder een zeurpiet.
Het zal een lezer van het voorgaande wellicht hogelijk verbazen dat ik tot deze interpretatie kom op grond van vaders woorden. Wie de woorden leest zal toch veeleer denken: die man wil zijn vrouw geruststellen.
Maar wat ik niet noteren kan is de eindeloos geïrriteerde intonatie waarmee vader zijn woorden uitspreekt. De schriftelijke weergave van een gesprek geeft een eerste betekenis weer, de denotatie. Maar in de levende werkelijkheid gaat dat wat schriftelijk genoteerd kan worden onverbrekelijk samen met een intonatie, de connotatie. En die connotatie kan een betekenis aandragen die de denotatie volkomen onbelangrijk maakt.
De werkelijk belangrijke betekenis van vaders woorden luidt: mens, zeur toch niet altijd zo. In wat ik daar hoor wordt het linguistische (dat wat genoteerd kan worden) overweldigd door het paralinguistische (dat wat niet genoteerd kan worden).
Welke gevolgtrekking kunnen we hier uit trekken? Dat de schriftelijke notatie van afgeluisterde gesprekken geen bewijskracht heeft omtrent de betekenis van het gesprokene. Waaruit dan weer geconcludeerd zou kunnen worden dat afluisteren bij opsporing wel effectief zijn kan, maar geen functie kan hebben wanneer bewijsvoering aan de orde is voor zo ver men zich bedient van genoteerd weergegeven gesprekken.
Omgekeerd geeft het impliciet gebruik van een paralingistische mogelijkheid van de taal soms een prachtige schittering aan een tekst. Ook daarvan een voorbeeld.
In een boekbespreking heeft Arjan Visser het over het sterven van zijn vader. Ik vind die passage zo mooi dat ik er een flink stuk van citeren wil.
Mijn vader was de eerste mens die ik zag sterven. Hij had lang geloofd dat zijn ziekte als een kriebelhoest voorbij zou gaan, maar een week voor de dag waarop hij uiteindelijk toch het leven zou laten, vertelde dokter R. hem dat het écht afgelopen was; dat de kwade cellen het van de goede cellen hadden gewonnen. Die avond liet mijn vader zijn medicijnen staan. Hij dronk weinig meer en het enig voedsel dat hem nog kon bekoren was andijvie.
Andijvie.
Toen de dominee hem kwam vragen of hij nog wel eens tot de Heere bad, antwoordde mijn vader dat die gewichtige gebeden hem niets meer zeiden. 'Alles wat ik doe,' zei hij zachtjes, 'is God bedanken dat die andijvie me nog goed heeft gesmaakt.'
Let in deze passage op dat ene woord 'Andijvie', dat een hele alinea vult. Wat een overdaad van betekenissen draagt de melodie die Arjan Visser ons in gedachten laat toevoegen aan die paar letters. Nou vraag ik je? Nou zie je, lezer, hoe eenvoudig mijn vader was. Hoe tevreden met iets nietigs. Andijvie, hoe is het mogelijk dat hij daarvan zo genoten heeft en God daarvoor heeft gedankt? Verbazing, empathie, genegenheid, het zit allemaal in dat ene woord, dank zij de intonatie waarme we het in gedachten uitspreken. Eén enkel woord. Een woord dat, samen met zijn bijbehorende intonatie, te denken geeft en vooral ook: mee te voelen. Zo schrijft wie schrijven kan.
Exploitatie van het paralinguistische, het is de gave van een literator.
Opsporingsambtenaren, justitiële personen, ze kunnen zich er beter niet aan wagen.
