Een Algerijn bij Albert Heijn

Bij de kassa sluit ik aan achter een heer in een donkere regenjas. Een héér. Een buitenlander dus. In Nederland doen we daar niet meer aan, aan heerzijn.
De caissière draagt een zwart hoofddoekje. Dat laat weinig ruimte voor haar bleke Arabische gezichtje. Aan de kassa rechts van ons zit haar zuster. Zelfde hoofddoekje, zelfde ernst, zelfde donkere ogen.
De drie in een netje bijeengehouden citroenen die ik zojuist heb uitgezocht en straks betalen ga komen per ongeluk terecht bij de boodschappen van de heer. Het meisje heeft het bedrag van één gulden negenennegentig al aangeslagen wanneer ik te kennen geef de koper van die citroenen te zijn. Ze corrigeert de rekening van de buitenlandse klant door de én gulden negenennegentig opnieuw aan te slaan, maar nu met een minteken.
De heer krijgt de rekening in handen en bestudeert die aandachtig. Het is duidelijk: dat doet hij altijd, overal. Hij leest: citroenen 1,99. Twee keer zelfs ziet hij dat bedrag. Ik zie hem fronsen. Hij duwt het meisje de rekening onder de neus en wijst met strenge vinger. Hij protesteert. In het Frans. Ik besluit me ermee te bemoeien en wijs hem op het minteken.
Het probleem en de kassa voorbij, komen we in gesprek, de heer en ik. Het doet hem genoegen Frans te kunnen spreken. Of ik Nederlander ben. Ja, dat ben ik, en dan vraagt hij permissie om een paar vragen te stellen. Natuurlijk. (Ik ben er immers dol op om andere mensen dingen uit te leggen.)
Of er verschil bestaat tussen hollandais en néerlandais. Hetzelfde, beweer ik. Ik probeer wel om, niet te omslachtig, iets over de dominantie van de Hollandse provincies binnen Nederland te vertellen. Eenmaal gelanceerd, laat ik vallen dat ons land in het Frans les PaysBas heet. Hij fronst opnieuw, maar anders. Ingewikkeld, vindt hij.
Hij schept adem en zoekt naar woorden. Dat biedt mij de gelegenheid om hem naar zijn nationaliteit te vragen. Arabe. Hm, maar uit welk land? Algèrie. Ik zou hem daarover van alles willen vragen, maar voor vragen is het zijn beurt, eerlijk is eerlijk.
Hij wil weten of Prins Claus dement is. Ik stel hem gerust.
Is het waar dat ze protestant zijn, Claus en de koningin? Moeten zijn? Waarom? Ik zeg dat het iets met onze nationale revolutie van eeuwen terug heeft te maken. Hij fronst alweer, ik begin er aan te wennen.
Hij staakt zijn ondervraging, kijkt me goedhartig aan en verzekert me dat ik blij mag zijn een Nederlander te zijn. Omdat er hier geen gewelddadigheden zijn. En vooral omdat iedereen rijk is. Ik sputter een beetje tegen. Verklaar dat ik mezelf niet rijk zou willen noemen. In mijn land bent u rijk, zegt hij. Zonder verwijt in zijn stem. Hij gunt het me. Hij gunt het ons.
Hij moet wel even kwijt dat Amsterdam duur is. Voor een hotelkamer moet hij honderveertig gulden betalen. Voor één nacht. Hij steekt daar één vinger bij op en trekt het gezicht van iemand die iets vertelt dat toch eigenlijk niet valt te geloven. En dan mag hij nog blij zijn dat ze hem als gast accepteren. Jaja. Ze hebben liever jongeren. Die laten ze met zn allen slapen op een slaapzaal. Ook dat zonder verwijt. Zijn glimlach zegt: Such is life.
Hij wil nu verder, dat zie ik. Ik reik hem de hand. Verbeeld ik het me, of past dat niet in zijn gewoonten? Wat weten we toch weinig van elkaars gedragscodes. We wensen elkaar een bonne journée. Onderweg naar huis peins ik nog wat na. Waarom zei hij eerst dat hij Arabier was, alvorens te preciseren: Algerijn?
Dan dwalen de gedachten alweer af. Hoeveel kost één citroen als ze met zn drieën 1,99 kosten? Ik kom bij een repeterende breuk terecht. Raadsels, ze liggen voor het grijpen.
