André Gide was maître à penser
André Gide. Is hij vergeten? Niet in Frankrijk. In een boekbespreking in Le Monde, in 2001, dook zijn naam weer op. Hij werd een bederver van de jeugd genoemd. Die zou hij hebben geperverteerd door zijn pédérastie 'sans risque et sans amour'.
Hij kwam uitgebreid ter sprake in het televisieprogramma Bouillon de Culture. (Inmiddels van het scherm.) Nadat de panelleden Gide’s trefzekere stellingnamen ten aanzien van enkele belangrijke twintigsteeeuwse problematieken kolonialisme, stalinisme, homoemancipatie hadden geprezen en vergeleken met de wijze waarop andere denkmeesters de plank hadden misgeslagen, las presentator Bernard Pivot een passage voor uit Gide’s Retour de l’U.R.S.S. (1936) en vatte de unanieme geestdrift samen met de hyperbolische uitroep 'Hij heeft de twintigste eeuw gered!' Waarmee hij ongetwijfeld gezegd wilde hebben: laten we deze maître à penser bewonderen, hij heeft zich sterk gemaakt voor goede zaken, en heeft geen blunders gemaakt, zoals anderen.
Maître à penser was hij, tijdens zijn leven. Niet alleen in Frankrijk, ook daarbuiten werd uitgekeken naar zijn volgende boek en naar zijn meningen. Dat hij in onze dagen lezers blijft interesseren, nu buiten elke actualiteit, blijkt uit de recente verschijning van een Pléiadeeditie onder de titel Souvenirs et voyages (Gallimard, 2001). Op de bijna vijftienhonderd bladzijden vindt men van alles bijeengevoegd.
Eerst de herinneringen aan zijn activiteit als jurylid bij de rechtbank, de cour d’assises, in Rouen in 1912. Die notities maken duidelijk dat deze welgestelde en ogenschijnlijk verliteratuurde man, die omging met letterkundige mandarijnen en die verbleef in buitenverblijven of dure hotels, er behoefte aan had om contact te hebben met de mensen en de werkelijkheid van een wereld waarin hij niet placht te verkeren. Zijn schetsen van het jurygebeuren laten zien hoe krachtig zijn stijl is. Meer dan drie bladzijden heeft hij niet nodig voor een hartverscheurend of lachwekkend volksdrama’s met kindermisbruik, oplichting of infanticide door een zwanger gemaakt dienstmeisje op een afgelegen boerderij. In één zin zet hij ze neer, de linke scharrelaar, de hardvochtige boerin, het geborneerde jurylid, de rechter die veel te deftigjuridisch praat om door wie dan ook te worden begrepen. Als met de beitel geschreven.
Dan zijn er zijn notities gemaakt tijdens reizen, in 192526 door WestAfrika, de Voyage au Congo en Le Retour du Tchad, naar de SovjetUnie in 1936, Retour de l’U.R.S.S. en Retouches à mon Retour de l’U.R.S.S, en de evocatie van zijn jonge jaren in zijn autobiografie Si le grain ne meurt, in 192021 voor het eerst uitgegeven. Van die eerste druk verscheen een oplaag van dertien exemplaren. Dat vanwege de Brisanz van bepaalde confessies, bijvoorbeeld betreffende zijn eerste homoervaringen als jongeling. Eerst in Sousse, later in Algiers, onder deskundige coaching van Oscar Wilde, die met groot plezier Gide’s eerste stappen op dit pad begeleidde.
Ook is opgenomen Et nunc manet in te, herinneringen aan zijn in 1938 gestorven vrouw Madeleine. Te midden van veel verdrietigheid ook humor; Gide memoreert hoe hij, alvorens te trouwen, een dokter raadpleegde over zijn homosexuele aanvechtingen en van de man te horen kreeg: Trouw maar gerust en u zult er snel achter komen dat al dat andere alleen maar verbeelding is. U doet me denken aan iemand met erge honger en die tot dusver dacht te kunnen volstaan met augurkjes. En Gide voegt voor alle zekerheid nog toe: Zo heeft hij het letterlijk gezegd. Parbleu, dàt vergeet ik nooit!
Laten we maar aannemen dat het een eeuw later moeilijk zal zijn om een dokter te vinden die in een vergelijkbaar geval met identieke stupide praat aankomt. Dat is dan voor een belangrijk deel aan Gide te danken, die in de homoemancipatie een moeilijk te overschatten aandeel heeft gehad. De herdrukken van zijn homopleidooi Corydon (eerste druk, oplaag twaalf exemplaren, 1911) hebben hun effect gehad, maar misschien meer nog de vaak lyrische openhartigheid over zijn eigen ervaringen. Het zal je schaden heeft zijn katholieke vriend Claudel hem gewaarschuwd. Dat was wel het laatste waar Gide zich druk over maakte. Hij wilde met de waarheid voor de dag komen.
In 1926 begint Gide, dan zesenvijftig, aan een lange reis dwars door gekoloniseerd Afrika, het franstalige deel Kongo, Kameroen, Tchad. De vierentwintigjarige Marc Allégret, die dan al zeven jaar zijn vriend is, vergezelt hem. Achtenveertig dragers vervoeren wat de heren nodig hebben. Tot de lading behoren ook de door Gide meegenomen boeken, zoals delen La Fontaine, Baudelaire, Goethe. André noteert wat hij ziet: nederzettingen, stoeiende apen, bloemen. Marc fotografeert en filmt. Af en toe wordt er heerlijk gezwommen in helder rivierwater en gejaagd op exotische hoefdieren en op prachtige vlinders. Gide noteert ook wat hij van het functioneren van het koloniale stelsel waarneemt. Hij ziet de systematische hardvochtigheid waarmee het koloniale bestuur de Afrikanen dwingt om zich dood te werken, letterlijk, op rubberplantages of bij de aanleg van wegen. Slavernij van na de afschaffing ervan. Hij erkent het argument van overheidsdienaren dat daarmee een toekomstig maatschappelijk belang gediend kan zijn. Maar de meedogenloze uitbuitingspraktijken van de grote maatschappijen? Die profiteren van het onvermogen van de koloniale ambtenaren om een effectieve controle uit te oefenen, met geen ander doel dan de aandeelhouders te verrijken. Gide, ondanks zijn talent voor geluk, kan niet voorbijzien aan de onder de plaatselijke bevolking aangerichte ontwrichting en fysieke ellende. Hij ziet gestrafte Afrikanen, met touw om hun nek aan elkaar gebonden, langstrekken en verzucht: Van nu af aan woont er een klacht in mij. Ik weet van dingen waarbij ik me niet kan neerleggen. Welke duivel heeft me naar Afrika gestuurd? Wat ben ik hier komen zoeken? Ik leefde rustig. Maar nu ik dit weet moet ik wel spreken. Gide is óók Frankrijks Multatuli.
Portret van Gide
André Gide, 1934
Zijn Voyage au Congo had grote impact. Maar Gide’s grootste literairpolitieke wapenfeit is dat hij in 1936 Retour de l’U.R.S.S. publiceerde. Hij sympathiseerde met het sovjetexperiment in Rusland. Hij ging naar Moskou, sprak eerst nog hooggestemde woorden op het Rode Plein bij de begafenis van Gorki. Maar tijdens de georganiseerde excursies in het vaderland van het socialisme stak hij zijn ogen niet in zijn zak en liet er ook geen zand in strooien door Stalins propaganda. Genadeloos was wat hij na terugkeer meldde. Linkse vrienden, zoals reisgenoot Jef Last, bezwoeren hem zijn kritiek voor zich te houden, omdat juist op dat historisch ogenblik de SovjetUnie hulp begon te bieden aan de Spaanse republikeinen. Maar alweer: waarheid eerst.
Nu, zestig jaar later, twijfelt niemand er meer aan dat hij alles zuiver had gezien. Zijn sombere verwachtingen zijn bewaarheid. Hij had gelijk maar heeft niet meegemaakt dat hij het voetstoots kreeg. Net als na zijn engagement inzake homosexualiteit en kolonialisme zijn er fiolen van laster over hem uitgestort na het verschijnen van de Retour, hetgeen hem er niet van weerhield om daarna zijn kritiek nog aan te scherpen in zijn Retouches à mon ‘Retour de l’U.R.S.S.’, want voor Gide was een tekst nooit helemaal af en waren aanvullingen en bijstellingen altijd noodzakelijk. Na zijn dood was het intellectuele klimaat onder links Frankrijk dermate sovjetvriendelijk dat een Pléiadeuitgave van 1954 met Souvenirs wel de emancipatoire stukken over kolonialisme en homosexualiteit meenam, maar de antisovjetteksten niet.
Het pasverschenen deel Souvenirs et voyages sluit, net als het Pléiadedeel van 1954, af met Ainsi soitil ou Les jeux sont faits. Het is een geschrift waaraan Gide zo’n halfjaar voor zijn dood begon. Hij voelde het eind aankomen en wilde rustig voortschrijven zonder enig vooropgezet plan. Natuurlijk kijkt een tachtigjarige vooruit, naar de dood. Ik heb wel slaap, schrijft hij, maar ik wil nog niet slapen. Vaker nog kijkt hij terug. Hij verzucht dat zijn leven eigenlijk afgelopen was toen Madeleine stierf, in 1938. Waar hij spijt van heeft? Dat hij die verre reis naar China niet heeft gemaakt. Dat hij nooit goed een vreemde taal heeft geleerd. Engels en Duits zou hij hebben willen spreken. Maar ja, overdenkt hij, Goethe heeft het al gezegd: Fransen leren het niet, want ze zijn bang om belachelijk te zijn. Nou nou, zo bang was ik er toch niet voor om fouten te maken... Of toch? Ja, eerlijk is eerlijk, Goethe heeft gelijk, ook ik was een beetje bang... Gide ten voeten uit, op weg naar opperste eerlijkheid.
Handschrift van Gide
Laatste notitie vóór zijn dood.
Op 13 februari, zes dagen voor zijn dood, vult hij voor het laatst een bladzijde in zijn schrift. De stervende reus is eerst verward: Aije encore quelque chose à dire? Encore à dire je ne sais quoi. (Nog wat dan ook te zeggen? Ik weet niet wat ik nog te zeggen heb.) Maar dan volgt, ijzersterk: Ma propre position dans le ciel, par rapport au soleil, ne doit pas me faire trouver l’aurore moins belle. (Door mijn positie, nu, in de hemel ten opzichte van de zon, hoef ik de dageraad nog niet minder mooi te vinden.)
Na deze zo meesterlijk geformuleerde existentiële hartekreet schrijft hij zijn allerlaatste regels.
De jas van Catherine [zijn buitenechtelijke dochter] had meer parelgrijs moeten zijn, maar dat wordt prachtig goedgemaakt door haar hoedje. Ja, ze heeft nu eenmaal enorm veel smaak.
Deze door en door menselijke man blijft tot het einde toe huid aan huid met de dierbare werkelijkheid.
Dit is de enigszins gewijzigde tekst van een artikel dat verscheen in VrijNederland, augustus 2001
