Tsjechow, liefde
Op 15 juli 1904 stierf Anton Tsjechow. Aan tuberculose en hartaanvallen. De actrice Olga Knipper, met wie hij nog maar kort tevoren getrouwd was, bedacht als medicijn: champagne. Het maakte Tsjechow vrolijk. ‘Ik heb al een tijdlang geen champagne meer gedronken’, grapte hij. Hij dronk en even later blies hij de laatste adem uit.
Vierenveertig jaar oud is hij geworden, deze unieke schrijver van prachtige toneelstukken en verhalen. Wie zijn vertelkunst wil leren kennen, kan, om te beginnen zijn novelle De dame met het hondje lezen. Hij schreef het in 1899 in Jalta, de luxebadplaats aan de Zwarte Zee. Hij laat het verhaal daar ook beginnen.
Het is het verhaal van Dmitri Goerow, een welgestelde middelbare heer die van vrouwen houdt. Hij versiert ze graag en met succes, maar benoemt ze tegenover zijn seksegenoten doorgaans als ‘het lagere ras’.
Toch kon hij het geen twee dagen zonder ze uithouden. In gezelschap van mannen verveelde hij zich, was hij sacherijnig en afstandelijk. Met vrouwen voelde kon hij vrij en gemakkelijk praten, met hen gedroeg hij zich perfect; in hun aanwezigheid was hij zelfs in staat om te zwijgen. Er was iets aantrekkelijks in zijn voorkomen, zijn karakter, in heel zijn wezen, iets dat moeilijk te definiëren viel, iets waardoor vrouwen voor hem vielen, waardoor hij ze charmeerde. Hij was het zich bewust. En het was ook zo dat een mysterieuze kracht hem tot vrouwen aantrok.
Bittere ervaring heeft deze vrouwenkenner geleerd: in het begin is het allemaal prachtig en romantisch, maar het leidt tot allerlei complicaties en de lust wordt tot last. Maar ja, wanneer hij zich, net als zijn schepper, in Jalta bevindt en op de strandboulevard een dame met een keeshondje ziet lopen, dan gaat ze niet ongemerkt aan hem voorbij. Ze is jong, klein, blond, draagt een baret. Dat kan iedereen waarnemen. Maar Goerov scant ook het onzichtbare met grote deskundigheid:
Uit haar gelaatsuitdrukking, manier van lopen, kleding, kapsel, uit alles kon hij opmaken dat ze een getrouwde dame van stand was, voor het eerst in Jalta, alleen. En dat ze zich verveelde.
Dit verraadt een scherp vermogen om te interpreteren wat achter het waarneembare verscholen ligt voegt. Daarbij komt Goerows rijke ervaring, die hem tot cynisme inspireert; hij weet wat er mogelijk is en kan zich voorstellen hoe het verder allemaal verlopen kan. Hij voelt zich blasé, heeft de aanvechting om van toenadering af te zien. Maar het toeval wil dat de dame met het hondje op een avond in het restaurant plaats neemt aan een tafeltje naast hem. Dan kan Goerov niet nalaten het hondje te lokken, het dier een botje te geven. Natuurlijk ontstaat een gesprek en na het eten wandelen ze samen langs de zee en praten over de mooie kleur van het water, lila, warm en teder van kleur. En daaroverheen werpt de maan dan ook nog gouden stralen. Ze wandelen heel ontspannen, tevreden, zonder doel. Goerov vertelt dat hij uit Moskou komt, taalkunde heeft gestudeerd, maar nu op een bank werkt. Dat hij vroeger aan de opera wilde maar dat heeft opgegeven. Dat hij twee huizen bezit. Zij vertelt dat ze in de provincie woont met haar man, die haar misschien wel zal komen ophalen. Lachend biecht ze op dat ze niet zeggen kan waar haar man eigenlijk werkt; hij is ergens overheidsambtenaar. Ze heet Anna.
Wanneer Goerow later op zijn kamer alleen is en aan Anna terugdenkt, bedenkt hij dat ze niet veel ouder is dan zijn dochter, pas van school. Hij heeft gemerkt dat ze een beetje bang is en onhandig, wanneer ze lacht en met hem praat. Ze is vast en zeker voor het eerst alleen met een man, van wie ze wel begrijpt dat die iets van haar wil dat niet uitgesproken kan worden Hij mijmert over haar uiterlijk.
Hij zag weer haar fijne, fragiele hals, en haar mooie grijze ogen. ‘Ergens is er ook iets zieligs aan haar’, dacht hij en viel in slaap.
Die twee zinnen zijn voldoende om te laten zien wat een groot schrijver Tsjechov is. Onnadrukkelijk vertellen ze veel. De eerste zin, over de hals en de ogen, suggereert het ontstaan van het mannelijk verlangen bij een verfijnd mens. Wat het verlangen wekt en de nog verre vervoering aankondigt is de schoonheid, die zich in iets concreets, iets lichamelijks, openbaart. Wanneer het over Anna’s grijze ogen gaat, valt in alle eenvoud het adjectief ‘mooi’. In de tweede zin komt het niet-concrete aan de orde, iets dat aan Goerows betere ik appeleert: Anna’s onschuld, haar kwetsbaarheid, dat hij als zielig benoemt. Dat appèl treft hem niet met onrust, want Goerow valt rustig in slaap. Dat ‘en viel in slaap’ is genadeloos kort, veelbetekenend en daardoor komisch. Het is niet alleen stilistisch super-effectief, het is ook inhoudelijk trefzeker. Drie woorden tekenen de man Goerov en ook de levensfase waarin hij zich bevindt: hij ligt van de liefde niet wakker. De evocatie van het zielige in Anna heeft een enigszins onheilspellend karakter; de lezer kan bevroeden wat er gebeuren gaat. Tegelijk schuilt er in die bespiegeling iets slavisch, iets dat doet denken aan Dostojewski’s gedachte dat lijden bij het Russische volk hoort.
Kwetsbaar is Anna, naast de ogenschijnlijk onkwetsbare Dmitri. Zo zal het een tijd lang lijken. Wanneer het paar opnieuw een wandeling maakt, en elkaar kust op de pier tijdens het romantisch avond-uur, als een heftige wind is gaan liggen en de natuur tot rust gekomen is, neemt Dmitri rustig de leiding. Eerst vraagt hij: Waar zullen we nu heen gaan? Als Anna dan geen antwoord geeft, zegt hij zachtjes: Laten we naar uw kamer gaan. Alzo geschiedt. Wanneer het moment van de liefde daar is denkt hij aan de keren dat hij dit heeft beleefd, die heel anders waren. Anna is niet zorgeloos vreugdevol, zoals Goerow bij andere vrouwen heeft meegemaakt, niet doortrapt bezitterig, niet wanhopig erop uit om uit het leven meer te halen dan het geven kan. Anna is ook in de hotelkamer angstig en onhandig. En na de liefde voelt ze zich gekweld doot schuldgevoel. Ze zegt: Dit was niet goed. U zult de eerste zijn die geen respect meer voor me heeft. Hoe reageert Goerow? Tsjechow beschrijft het met de vaardigheid van de geniale toneelschrijver. Dmitri zegt geen woord, wel een half uur lang.
Op de tafel in de hotelkamer lag een watermeloen. Goerow sneed er een moot af en begon die zonder haast op te eten.
Anna uit haar schuldgevoel. Dmitri is eerst wat geërgerd, raakt vertederd wanneer hij beseft dat dit geen toneelspel van haar is. Hij probeert haar gerust te stellen met lieve woorden. Dat lukt wel en ze gaan in de vroege ochtend een romantische rondrit in een koetsje maken. De dag daarna treffen ze elkaar, wandelen veel, kussen elkaar als niemand ze kan zien. Ook in de volgende dagen maken ze uitstapjes en hun indrukken zijn elke keer nog steeds even mooi en groots. Ze wachten er op dat Anna’s man haar komt halen. Maar die kan dat wegens gezondheidsredenen niet doen en vraagt Anna om snel naar huis terug te keren. Ze geeft daaraan onmiddellijk gehoor. Het noodlot heeft het zo heeft beslist, zegt ze.
Wanneer de trein die haar meeneemt uit het gezicht is verdwenen, krijgen de lezers een inkijkje in de geest van de achtergebleven minnaar. Hij heeft het gevoel dat hij zojuist wakker is geworden. Hij wordt zich dingen bewust. Hij denkt dat dit zijn laatste avontuur was, waarvan nu alleen nog maar een herinnering overblijft. Hij was hoffelijk en hartelijk tegen haar geweest is, maar
toch had er in zijn omgang met haar, in zijn toon en zijn tederheden ook iets lacherigs gescholen, iets grofweg neerbuigends, zoals zich dat voordoet bij mannen die het goed voor elkaar hebben; hij was immers bijna twee keer zo oud als zij.
Ze had hem steeds een goed, buitengewoon en hoogstaand mens genoemd. Hij besefte wel dat hij zich zo maar had voorgedaan.
Wat een scherp psycholoog toont Tsjechow zich op dit moment van bewustwording van zijn personage. Ik weet niet wat mijn bewondering meer wekt, de fijnzinnig analyse of de efficiëntie van de verwoording.
Deze episode van de liefdesgeschiedenis wordt als volgt beëindigd:
Hier op het station rook het al naar herfst, de avond was koel. ‘Het is tijd dat ik ook terugga naar het noorden’, dacht Goerow, toen hij het perron afging. ‘Het is tijd.
‘Het is tijd’ ‘Pora’, staat er kort en krachtig in het Russisch. Korter, krachtiger kan het niet. Het is als een bevel dat een man zichzelf zou geven. Krachtig klinkt het ook nog in de Duitse vertaling: ‘Es ist Zeit’. Wie dat leest denkt onvermijdelijk aan het Herr: es ist Zeit, aan het begin van het onvergelijkelijke vers Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr gross in het onvergelijkelijke 13-regelige gedicht Herbsttag van Rilke, van1902.
Na de eerste twee hoofdstukken, die zich in Jalta afspelen, vinden we Dmitri in het derde hoofdstuk in Moskou, waar het al koud is, de kachel aan moet en waar het ‘s morgens als de kinderen naar school gaan nog donker is. Goerow trekt zijn bontjas weer aan en handschoenen. Dat bevalt hem wel, net als de sneeuw, die de stad mooi maakt. Hij wandelt langs bekende plekken, hervindt oude gewoonten en verwacht dat Anna spoedig uit zijn gedachten zal verdwijnen. Het tegendeel gebeurt. Zijn herinneringen zijn heel precies, maar worden tot dromen, tot fantasieën waarin dat wat was zich vermengt met dat wat komen gaat.
Het was niet zo dat Anna hem in de droom verscheen, nee, ze vergezelde hem overal, als een schaduw, ze waakte over hem. Als hij zijn ogen dicht deed, zag hij haar voor zich alsof ze leefde; en ze leek hem mooier, jonger, lieflijker dan hij haar gekend had.
En het kwam hem voor dat hijzelf er sinds Jalta ook op vooruit was gegaan.
Stendhal heeft de ontwikkeling van de liefde in een mensenhart beschreven. Hij benoemt de beginfase van de verliefdheid met het woord ‘cristallisation’. In het begin vindt de minnaar alles prachtig aan de beminde; hij bekleedt haar met kristallen, zoals gebeurt bij takjes die je in het zout werpt van de zoutmijnen. Het overkomt ook Dmitri. Anna wordt voor hem mooier dan ze in werkelijkheid is. Maar bij Goerow slaat de kristallisatie ook op de beminnende zelf terug. De liefde maakt hem tot een beter mens. Althans, de liefde toont hem het beeld van zijn betere ik, de mens die hij zou willen zijn. De liefde toont hem het leven zoals hij het eigenlijk leiden wil. Het ware leven, het leven van de diepere lagen in de ziel. Waarvan men tegenover zichzelf niet of nauwelijks bewust is en waarover met anderen niet gesproken kan worden.
De liefde van Goerow, echtgenoot en vader, is een verboden liefde. In dat geval is de barrière die verhindert dat hij zich uitspreekt extra hoog, vooral ook door de sociale consequenties. Bovendien weten we sinds de dichter Tjoettsjew dat onze woorden nooit een volkomen juiste weergave zijn van onze gedachten. De uitgesproken gedachte is een leugen luidt Tjoettsjews vers. Maar de innerlijke waarheid (die ik graag Waarheid Nummer Eén noem), ook al zal hij per definitie niet volledig gekend kunnen worden, wil naar buiten. De behoefte om zijn hart te openen, om te vertellen over de mooie herinneringen, is overweldigend, bij ieder mens, maar speciaal bij eenieder die bemint. Bij Dmitri, dus. Hij heeft niemand tegenover wie hij het kan doen. Hij waagt het er toch op, hij kàn het niet laten. Bij het verlaten van het restaurant waar hij met een collega heeft gegeten, begint hij heel voorzichtig: U moest eens weten wat een betoverende vrouw ik in Jalta heb leren kennen! De collega lijkt niet te horen wat hij zegt, hij antwoordt niet, is te druk bezig met het aantrekken van zijn sneeuwschoenen.
Maar, toen hij zich verwijderd had, draaide hij zich plotseling om en riep:
‘Zeg Dmitri.’
‘Ja?…’
‘Je had gelijk daarnet, die steur had een bijsmaakje.’
Navrante scène, in weinig woorden. De collega gaat totaal voorbij aan Goerows opmaat tot een hartekreet.
Eigenlijk zou de enige tegenover wie Goerow zich zou moeten uitspreken zijn vrouw zijn. Met haar zou hij moeten spreken, maar hij kàn het niet omdat zij angstaanjagend is. Angstaanjagend is dat zij het moreel gelijk aan haar zijde heeft en angstaanjagend zijn bovendien haar zware wenkbrauwen. Het blijft erbij dat zij laat merken dat ze weet wat er aan de hand is: De rol van versierder gaat je heel slecht af, Dmitri. Ze slaat Dmitri om de oren met het enige verdedigingswapen waarover zij als bedrogen echtgenote beschikt: genadeloze ironie. Daarmee wordt ook de deur naar mogelijke communicatie dichtgeslagen.
Tijdens de feestdagen van December begeeft hij zich met een smoes naar het provinciestadje waar Anna woont. Hij weet zelf niet precies met welk doel hij dat doet. Hij weet alleen maar dat hij Anna wil zien. Dat lukt hem. Hij gaat naar een toneelpremière waarbij hij verwacht dat zij, als provinciale dame van stand, aanwezig zal zijn. Dat klopt. Hij ziet haar zitten in de toneelzaal.
Toen Goerow haar zag, kromp zijn hart samen. En hij begreep heel helder dit: op de gehele wereld was niemand hem nader en dierbaarder, niemand was zó belangrijk voor hem. Deze kleine onopvallende vrouw, met haar doodgewone brilletje in haar hand, vulde van nu af aan zijn gehele leven, zij was zijn verdriet, zijn vreugde, het enige geluk dat hij voor zichzelf nog verlangde.
In de pauze gaat haar echtgenoot, een erg keurige en nogal slaafs ogende jongeman, een sigaret roken en blijft Anna op haar plaats zitten, op de derde rij, bij de notabelen. Dan gaat Dmitri voor haar staan en zegt haar gedag. Ze schrikt, wordt bleek. Ze begeven zich samen naar een rustige plek. Ze stamelen eerst, kunnen niet nalaten elkaar te kussen. Anna vertelt Goerow hoeveel ze aan hem denkt en vooral hoezeer ze lijdt. Ze wil dat hij onmiddellijk weggaat. Ze belooft dat ze hem in Moskou zal komen opzoeken. Goerow verlaat dan inderdaad de schouwburg.
In het vierde hoofdstuk wordt verteld dat Anna inderdaad om de twee à drie maanden naar Moskou komt. Tegenover haar man verzint ze de smoes dat ze er een professor gaat raadplegen wegens een vrouwenkwaal. Goerow en zij kunnen elkaar in een hotel ontmoeten. Anna laat Goerow haar komst weten door een boodschapper. Een man met een rode muts, voegt rasverteller Tsjechow er als overbodig detail aan toe, en haakt het beeld daardoor in onze herinnering vast. Niemand komt er achter. Tsjechow beschrijft hoe Goerow op weg naar het Moskouse hotel waar Anna op hem wacht onderweg zijn dochter naar school brengt. Het meisje stelt hem vragen. Waarom het kan sneeuwen bij drie graden boven nul. Waarom het in de winter niet onweert. Goerow legt het geduldig uit en denkt ondertussen: hier ga ik nu, op weg naar een rendez-vous. Geen levende ziel weet ervan en waarschijnlijk zal niemand er ooit iets van weten.
Hij had nu twee levens: een leven dat zichtbaar was en bekend aan iedereen die met hem te maken had, een aangepast leven vol conventionele waarheid en conventioneel bedrog, precies als alle vrienden en bekenden – en een ander leven dat ondergronds voortstroomde. En door een mysterieuze, mischien wel toevallige samenloop van omstandigheden gebeurde dààr alles wat voor hem belangrijk, interessant was en een levensnoodzaak. Dààr handelde hij in volle eerlijkheid, bedroog hij zichzelf niet. Dààr lag, verborgen voor andere mensen, de kern van zijn leven.
Bij de andere mensen, op de bank, in de club, daar waar hij het over ‘het lagere ras’ had, of de officiële gelegenheden waar hij met zijn vrouw naar toe ging, daar verstopte hij zijn ware ik. En Goerow gaat ervan uit dat het bij andere mensen niet anders ligt dan bij hem. Hij gelooft dat iedereen zijn geheime leven heeft, en trekt daaruit de conclusie dat je ook bij anderen niet moet geloven wat je ziet.
Elk persoonlijke existentie is gebouwd op een geheim. Misschien verklaart dat voor een deel wel waarom een beschaafd mens dermate zijn best doet om zijn persoonlijk geheim te bewaren.
Dit overdenkt Goerow bij zichzelf, babbelend met zijn dochter op weg naar zijn geheime geliefde. Het is een passage die veel ter overdenking biedt. In een brief, op 2 februari 1900, schreef een toneelrecensent uit Odessa aan Tsjechow over zijn novelle dat hij zijn lezers ‘veel had gegeven om over na te denken.’ Dat is een eeuw later nog zo. Zeker. We kunnen mijmeren over de antinomie, de oxymoron zo men wil, dat het geheim geheim wil blijven, maar toch ook naar buiten wil. Het mooiste voorbeeld daarvan heeft Racine misschien laten zien in zijn tragedie Phèdre. Phèdre wordt verteerd door een verboden passie, maar kan niet nalaten die in de openbaarheid te brengen, met de dood als gevolg. We moeten bij deze passage vooral aandacht geven aan Goerows gewoonte om het over vrouwen als ‘het lagere ras’ te hebben. Zo deed hij het op de club, in de leugenwereld van de ouwe jongens onder elkaar, in gehoorzaamheid aan de code van die ‘officiële’ context. Nu zijn liefde voor Anna hem de ogen heeft geopend weet hij beter. Tsjechows compacte schildering van de leugenachtige schijnwereld van het ‘officiele’ kan doen denken aan de kritische blik die Simone de Beauvoir werpt, in haar te weinig bekende boek Les belles images, op de wereld van de nieuwe rijken, de snobs, die het ware, het eerlijke, bedelven onder hun trendy clichés en hun banale geconditioneerdheid. Wie die vergelijking maakt wordt getroffen door een verschil: Tsjechow is milder. Hij toont wel afkeer, maar heeft toch ook begrip voor de huichelende medemens. Zijn engagement met de waarheid staat een meegevoel met de grenzen en paradoxen die de menselijke conditie nu eenmaal met zich meebrengt niet in de weg.
Tsjechow bewaart tegenover zijn medemensen afstand .Hij was dokter en moest die afstand nu eenmaal tegenover zijn patiënten betrachten. Tegelijk voelt hij begrip en genegenheid. Hij ziet de fouten, stelt ze aan de kaak, met een zekere ironie. Maar hij voelt met ze mee. Zijn observaties zijn ombarmhartig en toch ingebed in een liefderijke empathie.
Wanneer de gelieven elkaar in de hotelkamer treffen, kan Anna haar tranen niet inhouden. Dmitri laat haar; laat ondertussen de room-service thee brengen. Eerst moet zij uithuilen; hij troost haar, is teder, probeert dan haar wat af te leiden. Hij legt zijn handen op haar schouders en ziet op dat moment zichzelf in de spiegel, met zijn haren die al grijs worden. Hij beseft dat hij nu pas op de goede manier liefheeft, nu hij grijze haren heeft. Voor het eerst in zijn leven.
Hoe dat is, liefhebben op de goede manier? Tsjechow formuleert het als volgt.
Anna en Goerow hielden van elkaar als mensen die elkaar zeer na zijn, als verwanten, als man en vrouw, als tedere vrienden.
Is het een garantie voor geluk? In de overspelig relatie als die van Anna en Goerow? Het antwoord van Tsjechow:
Het leek Goerow dat er nog maar weinig nodig was om een oplossing te vinden. Dan zou een nieuw en heerlijk leven beginnen.
Dat is een echt Tsjechow-thema: het menselijk verlangen naar een nieuw en heerlijk leven. Maar wat is de werkelijkheid? Hoe kan dat verlangen gerealiseerd worden? Hoe dichtbij was de realisatie? Het verhaal eindigt met woorden die Tsjechows melancholieke werkelijkheidszin goed weergeven.:
Het was beiden wel duidelijk dat de oplossing nog ver, heel ver, verwijderd was. Het ingewikkeldste en moeilijkste was nog maar net begonnen.
Aart van Zoest, 2004
