Theo's rekenkunst geïnterpreteerd
Ik heb het al gezegd: ik geniet ervan als iemand met te denken geeft. Steven ten Thije deed het, Van Doesburgs 'Artimetische compositie' analyserend, toen hij schreef: 'Enkele zwarte ruiten tegen een witte achtergrond in een diagonaal geplaatst van rechts onder naar linksboven. De ruiten worden evenredig kleiner naar boven toe.'
Hij voegt toe: 'Onze ogen vertalen daardoor het platte vlak ongevraagd in een ruimte en vertellen ons dat de ruiten niet 'kleiner' worden, maar verder van ons afstaan.'
Wat een machtig mooi voorbeeld van het fundamentele semiotische gegeven dat bij het in werking brengen van een bepaald interpreteer-mechanisme (abductie) alles afhangt van de vooronderstelling. De vooronderstelling van Steven ten Thije is: we lezen van beneden naar boven. Of, zo men wil: we beginnen bij het grote en gaan naar het kleine. Dit gevoegd bij de andere vooronderstelling (we vertalen dit van tweedimensionaal naar driedimensionaal) leidt tot de interpretatie: er verwijdert zich iets van ons.
Laat mijn hoogstpersoonlijke eerste reactie nou geweest zijn: er komt iets op me af. Dat kwam natuurlijk doordat ik van boven naar beneden las, van links naar rechts, van klein naar groot. Wat een variatiemogelijkheden biedt toch ons interpreterend brein!
Zo hebben Theo en Steven me samen dat denkplezier bezorgd. Ten Thije doet er nog een schepje boven op door te schrijven dat Theo's compositie meer dan een aaneenschakeling van geometrische vormen is, maar 'een strijd genereert tussen de logica van het oog en de logica van het brein'. Kijken naar dit het schilderij is 'een constant omschakelen tussen kijken en denken'. Dat is taal naar mijn hart.
Het raakt ook aan de essentie van wat Van Doesburg en zijn artistieke bondenoten van 'De Stijl' beoogden, namelijk het verdrijven uit de beeldende kunst van vals sentiment en gemakkelijke truttigheid. De titel van het schilderij heeft, zo gezien, een provocatieve strekking.
De artistieke doelgerichtheid van de Stijl-groep hield ook een gevaar in. Vooral bij epigonen krijgen we soms de rillingen, wegens de kilheid van wat ze in elkaar hebben geknutseld.
Is het algebraïsche schilderij van Van Doesburg dan niet pure kou? Het antwoord is: nee. Om dat antwoord te rechtvaardigen kan de analyse van Theo ten Thije ons ook nog van dienst zijn. Hij wijst er tot slot op dat kijken en denken zich niet met elkaar laten verzoenen. 'Maar in dit schilderij elkaar wel raken in het midden van het doek waar de grijze L voorzichtig aan de zwarte ruit raakt'.
Niets gaat er boven dat: de voorzichtige aanraking. Zo komt ons gevoel, godzijdank, er toch nog aan te pas. Kunst kan daar niet buiten.
