Skip to Content

Antonin Artaud en zijn waarheid

Antonin Artaud en zijn waarheid

Nooit ben ik in Parijs zonder een beleving van belang. Ik praat maar niet over ontmoetingen, met vrienden, en chair et en os, van zeer vroeger. Liever van de vrienden die niet weten dat ze mijn vrienden zijn, de bewonderde schrijvers, van wie ik de boeken heb verslonden en van wie ik telkens persoonlijke sporen kan aantreffen op aan hen gewijde exposities. Dit keer zag ik een tentoonstelling over Antonin Artaud.

In de nieuwe Bibliothèque Nationale de France, die ook de naam François Mitterrand heeft meegekregen. Een monstrueus geheel van mensvijandige lelijkheid. Buitenproportie, kaal en winderig van buiten. Buitenproportie, kaal en geïniformeerd van binnen. Altijd tentoonstellingen waar je de tijd vergeet. Ooit: Proust. Nu dus: Artaud.

Ik was hem eigenlijk al een beetje vergeten, Artaud. Zo'n halve eeuw geleden heb ik nog eens een gedeelte vertaald uit zijn 'Le théâtre et son double' - ik weet niet eens meer wat. Ik geloof dat het 'Le théâtre de la peste' was. Voor een bloemlezing die Paul Harrison samenstelde, in de dagen dat we een sympathie-demonstratie organiseerden voor Martin Luther King en een tekst gingen aanbieden aan de Amerikaanse consul op het Amsterdamse Museumplein - ik weet nog dat die man de bijpassende naam Blankenship droeg.

Marginaler dan Artaud kon een mens niet wezen. Toen ik daar rondliep, zijn neergepende teksten las, zijn zelfportretten zag en de ongelooflijk fascinerende opnamen van de films waarin hij speelde, begreep ik eindelijk en ineens wat hem zo uniek en dierbaar maakte: hij is tot het uiterste gegaan in zijn hartstochtelijk bezig zijn dat te doen waarvan hij wist dat het onmogelijk was, zijn waarheid naar buiten brengen.

Op zijn veertigste, in 1938, publiceert hij 'Le théâtre et son double', waarmee hij zich in de twintigste eeuw tot de belangrijkste toneel-theoreticus maakt naast Brecht. Die wilde dat het toneel ons leren zou iets te begrijpen van de maatschappij, van de wereld buiten ons. Over waarheid nummer Twee. Met het verstand erbij.

Artaud wilde dat we naar die onkenbare waarheid zouden zoeken in ons. Waarheid nummer Eén. Het toneel zou het voorbeeld geven, en ons in een irrationele maalstroom storten, los van elke verstandelijkheid.

Een jaar daarvoor, in 1939, is hij zijn trektocht van gekkenhuis naar gekkenhuis al begonnen. Toch manifesteert hij zich nog op 13 januari 1947 in het Parijse Théâtre du Vieux Colombier. Een publiek van negen honderd personen, le tout Paris. Op de eerste rij André Gide, die schrijven zal 'Nooit heb ik Antonin Artaud meer bewonderd dan die avond. Van zijn materiële wezen was alleen nog expressiviteit overgebleven. Hij was broodmager. Zijn gezicht leek opgebrand door zijn innerlijke vuur. Zijn handen waren als van iemand die verdrinkt.'

Een jaar later was hij dood, Antonin.

Dood? Welnee. Ik heb hem daar op die tentoonstelling gezien, in stokoude filmfragmenten. Als in levenden lijve. Bijvoorbeeld in de rol van Marat, die in het bad wordt doodgestoken door Charlotte Corday. Wat kon hij aanstellerig rollen met zijn ogen, Artaud. Ook in die onvergankelijke film uit de oertijd van het surrealisme, 'La coquille et le clergyman'. Maar in de film van Dreyer over Jeanne d'Arc drukt hij tegenover tegenover zijn tegenspeelster met zijn intensiteit peilloze menselijke aandacht uit.

En dan al die zelfportretten die hij tekende. Een gekweld mens kijkt ons aan. Zonder woorden zegt hij: hier, achter deze ogen, achter deze mond zit dat wat onuitsprekelijk is. En waarover ik het alsmaar tegenover jullie moet uitschreeuwen.