Skip to Content

De dageraad van Rimbaud

De dageraad van Rimbaud

Arthur Rimbaud (1854-1891) was een wonderkind. In Charleville, provinciestadje in de Franse Ardennen, schreef hij op zijn vijftiende wonderschone gedichten. Hij stuurde ze op naar Parijs, naar Verlaine.

Die was tien jaar ouder dan hij en in die tijd al een vrij beroemde dichter. Ze werden verliefd op elkaar, de twee dichters, en trokken de wereld in. Ze hielden zich veel op in cafés, zopen, maakten ruzie. In Brussel heeft Verlaine op Rimbaud geschoten. Het kan de indruk wekken dat ze een verloederd stel waren. Dat is niet geheel juist.

Vooral Rimbaud was meer verslaafd aan lange wandelingen in de natuur dan aan alcohol. Dat kan duidelijk worden aan wie zijn gedicht leest dat 'Aube' heet. Dageraad. Het staat in een bundel waaraan Rimbaud de verzameltitel 'Illuminations' heeft meegegeven.

AUBE

J'ai embrassé l'aube d'été.

Rien ne bougeait encore au front des palais. L'eau était morte. Les camps d'ombre ne quittaient pas la route du bois. J'ai marché, réveillant les haleines vives et tièdes, et les pierreries regardèrent, et les ailes se levèrent sans bruit.

La première entreprise fut, dans le sentier déjà empli de frais et blêmes éclats, une fleur qui me dit son nom.

Je ris au wasserfall blond qui s'échevela à travers les sapins: à la cime argentée je reconnus la déesse.

Alors je levai un à un les voiles. Dans l'allée, en agitant les bras. Par la plaine, où je l'ai dénoncée au coq. À la grand'ville elle fuyait parmi les clochers et les dòmes, et courant comme un mendiant sur les quais de marbre, je la chassais.

En haut de la route, près d'un bois de lauriers, je l'ai entourée avec des voiles amassés, et j'ai senti son immense corps. L'aube et l'enfant tombèrent au bas du bois.

Au réveil il était midi.

--------------

DAGERAAD

Ik heb de zomerdageraad omarmd.

Er bewoog nog niets aan het front van de paleizen. Het water lag doodstil. De schaduwen bleven op de bosweg gekampeerd. Door mijn voetstappen ontwaakten de heldere en milde briesjes, en de edelgesteenten keken toe, en de vleugels verhieven zich zonder geluid

De eerste hofmakerij volgde op het bospad, al gevuld met frisse en bleke schittering, toen een bloem me haar naam zei.

Ik lachte naar de blonde wasserfall die door de sparren heen haar haren losgooide: aan de zilveren kruin herkende ik de godin.

Toen lichtte ik één voor één haar sluiers op. In de laan, met armgezwaai. Op de vlakte, waar ik haar aan de haan verried. In de stad vluchtte zij, tussen de klokketorens en de koepeldaken, en rennend als een bedelaar op de marmeren kaden, zat ik haar achterna.

Boven aan de weg, bij een laurierbos, omvatte ik haar met de vergaarde sluiers, en ik voelde iets van haar immense lichaam. De dageraad en het kind vielen aan de voet van het bos.

Bij het ontwaken was het middag.

Deze Nederlandse vertaling is van Hilde Keteleer en is te vinden in 'Arthur Rimbaud, Ik heb de dageraad omarmd, Amsterdam, Bert Bakker, 1999.

Suzanne Bernard heeft in haar uitgave van het werk van Rimbaud gesteld dat dit een van zijn mooiste gedichten is. En bovendien een van zijn meest toegankelijke, in de bundel 'Illuminations'. Toegankelijkheid is uitzonderlijk bij Rimbaud. Afgezien van de gedichten uit zijn vroegse periode. De latere zijn meestal moeilijk. Moeilijk voor lezers die het liefst àlles willen begrijpen.

Rimbaud is voorloper van het symbolisme. Symbolistische gedichten worden gekenmerkt door grammaticale en semantische verrassingen. In zulke gedichten wordt de lezer dikwijls op het verkeerde been gezet: de betekenis ligt niet voor de hand. De lezer krijgt te maken met een geheel onverwachte, gloednieuwe, individuele symboliek, die een creatieve leeshouding vraagt.

Al in de eerste versregel krijgt de lezer met een semantische ontregeling te maken. 'Ik heb de zomerdageraad omarmd.' We weten dat de dageraad een abstractie is en dat abstracties niet omarmd kunnen worden. We begrijpen: dit is een metafoor, dit is figuurlijk taalgebruik. Dat 'omarmen' drukt liefde en bijbehorende vreugde uit.

Daarna krijgt de metaforiek een opener karakter. Ik bedoel: de interpretatie is minder strikt voorgeschreven. Er blijven keuzes open. Wie zal met zekerheid kunnen zeggen waarnaar 'het front van de paleizen' verwijst? Hier wordt een beroep gedaan op onze verbeeldingskracht. Die moet aansluiten bij de poëtische verbeeldingskracht van de dichter. We stellen ons iemand voor die zich bij het aanbreken van de dag bevindt in een bos. Boomgroepen doemen voor zijn ogen op, die de indruk wekken voorzijden van paeizen te zijn.

We bedenken er een vennetje bij: 'het water lag doodstil'. Er is stilte. Onbeweeglijkheid. Er zijn schaduwen over een bosweg. En dan: beweging. Hij gaat op weg en het kan lijken dat door zijn bewegen er ook beweging komt in de lucht. 'Heldere en milde briesjes' zegt de vertaling. In het Frans is sprake van 'les haleines vives et tièdes'. De combinatie van de substantieven en adjectieven geven iets paradoxaals weer op het vlak van de zintuiglijke waarneming. De briesjes lijken wel ademtochten die fris zijn en toch aangenaam zacht worden genoemd.

Edelegesteenten kijken toe, wanneer hij daar loopt. Het lijkt of hij meemaakt dat èn de planten èn de dieren èn de minerale elementen ontwaken. Vogels zetten zonder geluid hun veren op. De dichter kijkt en luistert tegelijk.

Verwijst het woord 'edelgesteenten' naar de schittering van de dauw in de morgen? Mogelijk. Als we lezen dat de edelgesteenten toekeken, ligt het voor de hand om te denken dat de dichter de natuur als bezield beleeft. Dan kan ook een bloem haar naam noemen. En een waterval kan lange haren losgooien.

Zoals de natuur zich in de ochtend openvouwt, zo doet ook de vroege boswandelaar dat. Eerst vermeldt hij de vroegste activiteit in de natuur en daarna zijn eigen ervaringen. Hij maakt mee dat een bloem hem zijn naam zegt, is een radicale, heidense omkering van het wat verteld wordt in het Bijbelse scheppingsverhaal, waar het aan de mens is om naamgever te zijn. Rimbaud toont zich animist. In een plooi van dit gedicht is een spoor van anti-christelijk verzet te vinden.

Hij is ook een ontwrichter. Hij heeft het expliciet gezegd, dat hij een ontregeling van alle zintuigen wil. Een 'dérèglement de tous les sens'. Misschien ook wel een ontregeling van alle betekenissen.
Hij laat een proeve van ontregeling zien wanneer hij de schittering in de ochtend benoemd als 'fris en bleek'. Dat zijn, toegepast op een glinstering, impressies die horen bij wat de huid voelt en de ogen zien. Dat is verbale vermenging van zintuiglijke indrukken van het type 'schreeuwende kleuren'. Het is synesthesie, waarvan de vader van het poëtische symbolisme, Baudelaire, zulke prachtige voorbeelden heeft gegeven in zijn gedicht 'Correspondances'. (Il est des parfums frais comme des chairs d'enfant, doux comme les hautbois, verts comme les prairies - et d'autres corrompus, riches, triomphants. Er zijn geuren zo fris als kinderhuidjes, zacht als hobo's, groen als weiden - en anderen die verdorven zijn of rijk, triomfantelijk.)

Er is vreugde, als voorspel op een mystieke extase. De wandelaar lacht naar eenachter de dennen zichtbare waterval, die zijn blonde haren uitspreidt. Waarom benoemt hij die in het Duits? Dat is exotisch. En het komt ritmisch beter uit. Moeten we betekenis hechten aan de omstandigheid dat de waterval in het Duits een manlijk lidwoord heeft?

Zilver verraadt de aanwezigheid van de godin, de Dageraad. De mystieke ervaring is neemt een aanvang. 'Ik lichtte één voor één de sluiers op'. De wandelaar komt in beweging, zwaait met zijn armen. Loopt een vlakte in. Nadert een stad. Ziet de godin Dageraad verdwijnen tussen de daken.

Het verraad aan de haan is het verraad van de droom, die opgeofferd wordt aan de werkelijkheid. Maar de droomjager geeft het niet op. Hij weet zijn godin te pakken te krijgen.

Hij voelt haar immense lichaam. Hij drapeert vergaarde sluiers om haar heen. Het beeld stijgt boven de werkelijkheid uit. Hoe we dit precies moeten interpreteen kan niemand vertellen. Hier hebben een voorbeeld van de semiotische openheid die door de symbolisten inde moderne poëezie is binnengebracht. Het beeld kan een diversiteit aan indrukken en gevoelens oproepen. Erotische gevoelens misschien. Ook een gevoel van contact met Moeder Aarde, die ons door haar dagelijkse wenteling haar rijke, levende schoonheid aanbiedt als een nieuw wonder.

'De dageraad en het kind vielen aan de voet van het bos': het is èn prachtig èn mysterieus. Ikzelf zie voor mijn geestesoog een kind en de dageraad samen, verstrengeld in een omhelzing, langs een boshelling naar beneden rollen. Een ander stelt zich wellicht iets anders voor. Opvallend is dat niet langer over 'ik' wordt gesproken.
Beschrijft de wandelaar zichzelf hier in de derde persoon, alsof hij afstand neemt.

Dan is er tekst-wit, een gat in de tijd. Tussen de omhelzing van het kind en de godin en het ontwaken heeft een mystieke éénwording plaatsgevonden. Daar kan niets over worden verteld. Dat gaat alle woorden voorbij. 'Au réveil il était midi.' De precisie van dat uur geeft aan dat de klokketijd , na een moment van eeuwigheid in het nu,zijn recht herneemt. Wat er tussen de dageraad en het dagmidden is gebeurd, tijdens de slaap, blijft geheim. Alles gedroomd? Een onvertelbare extase beleefd?