Koot/Céline
Als mijn geheugen me niet bedriegt, vermeldt Kees van Kooten ergens in zijn geschreven oeuvre dat hij, liggend in het bad, van zijn piem zeven dieren kan vormen, waaronder één heel enge. Omdat ik me graag door literatuur laat inspireren probeer het ik soms ook.
Zelfs zou ik graag, in nobele wedijver, de meester overtreffen en het tot acht brengen. Of een variant creëren, het liefst een juichend dier, een glimlachend, of juist een diep weemoedig exemplaar. Laat ik het in alle nederigheid toegeven: echt lukken doet het niet.
Niet dat ik ontevreden ben, o nee, de bereikte resultaten ervullen me vaak met voldoening. Ik zou iedereen wel willen uitnodigen om er een bewonderende blik op te komen werpen, als ik niet besefte hoe ongebruikelijk dat zou zijn. En dan, de badkamer is niet op toeloop ingericht.
De gelijkenis die ik weet te bereiken is erg vaag. Niet voor mezelf. Ik herken gemakkelijk de nieuwsgierige lintworm, het slome nijlpaard. De schijnheilige tapir, de onschuldie slak, de wiebelende zeeanemoon, het parmantige eenjarige appelschimmeltje klaar voor de dubbele oxer, de zorgelijke schildpad die iets kwijt is (wat? zijn schild? zijn vermogen om ouwe taaie te fluiten?).
Twijfel bekruipt me of anderen het ook zo zouden zien, maar met die twijfel valt te leven. Daar ligt het probleem dus niet. Het echte probleem ligt bij de geconditoneerdheid van mijn voorstellingsvermogen. Dat brengt me steeds weer terug , onherroepelijk, naar het meest banale cliché: de piem in bad, geheel aan zichzelf overgelaten, lijkt op een oud rimpelig worteltje voortdrijvend in de Dode Zee. Welk delicaat en vindingrijk rek- en buigwerk er wordt verricht, dit basisbeeld wordt eienlijk nooit helemaal verdrongen.
Het ligt niet aan weerspannigheid van het object, kneedbaar genoeg. Niet aan onvaardigheid van de hand, tot alle experimenten in staat en bereid. Nee, het ligt aan de stugheid van de fantasie die, als je hem niet flink prikkelt, gewoon zijn eigen gangetje blijft gaan in een tredmolen waaraan hij nou eenmaal gewend is geraakt. Onze fantasie moet, om goed te werken, de sporen krijgen, op zijn donder hebben, door middel van onverwachte confrontatie en strenge oefening,
Is fantasie nodig? Fantasie is zéér nodig. De producten van fantasie zijn verrijking en versiering van het leven. En het allerergste dreigt daar waar fantasie ontbreekt.
Céline beschrijft in zijn boek 'Reis naar het einde van de nacht' hoe in de eerste wereldoorlog een kolonel zich stoer en dapper gedraagt onder vijandelijke beschieting. Hij doet alsof de kogels er niet zijn.
Tot hij door een granaat wordt getroffen. Ineens is hij een kadaver. Met opengereten buik en afschuwelijk vertrokken gezicht.
Moed? Verachting van het gevaar? Ja. Voortgekomen uit gebrek aan fantasie. 'Al de ellende van die man was daar uit voortgekomen' noteert soldaat Bardamu, die het lot van de kolonel vertelt. Hij voegt er aan toe: 'en vooral de onze'.
Want de fantasieloze is een gevaar voor zijn medemens. Speciaal als die medemens aan zijn bevelen onderworpen is. De heldenmoed van de kolonel had ook tot de dood van Bardamu kunnen leiden. Zoals de fantasieloze waanzin van superleiders ons een einde kan aandoen dat we niet wensen.
De 20jarige Bardamu zegt: 'Was ik dan de enige in dit regiment die me kon indenken wat de dood betekende? Ik stierf liever m'n eigen dood, later... over twintig jaar... dertig jaar... misschien nog later, later dan de dood die ze me nu op dit moment hadden toebedacht in de modder van Vlaanderen, m'n mond vol met die modder, en niet alleen m'n mond, m'n gezicht gespleten tot aan m'n oren door een scherf. We hebben toch zeker wel recht om een mening te hebben over onze eigen dood.'
Overdenkingen bij een piem. Waar hij al niet goed voor is.
Nog eens een voorbeeld. Onder het plassen kan een man goed waarnemen of het niet tijd voor lijnen wordt. Als de piem uit het zicht raakt is het de hoogse tijd. Dit geregeld checken, daar moesten ze maar eens reclame voor maken.
-------
Dit stond onder de titel 'Bekeken Zaak' in het Utrechts Nieuwsblad van 28 november 1981.
