Skip to Content

De bleke bloem

De bleke bloem

'Wie zou het zijn?' mompelde Oma Greta. De deurbel had hard geklingeld. Ze deed open.

Voor de deur stond de man met de gele hoed. Ze herkende hem wel, al was ze tachtig jaar oud. Het was de man die de bloem kwam kleuren.

'Ik kom de bloem kleuren', zei de man.

Het beviel Oma Greta helemaal niet. Ze hield er niet van als vreemden aan haar bloem kwamen. 'De bloem is dood', zei ze tegen de man met de gele hoed. 'Ik heb hem al meegegeven met de dodebloemenman.'

Maar het bloemenzoekhondje Christofoor rende het huis binnen. Het dier glipte onder de tafel, blafte en kwispelde met zijn staart. Daar stond de bloem in zijn pot op de grond. De bloem was zo bleek als een ziek kindje van een eskimo. Maar dood? Nee.

'Wat is het toch een kreng', dacht Oma Greta. De hond had haar verraden. Ze was door de mand gevallen. Het was niet waar dat de bloem dood was.

De man zei niets. Hij legde zijn hoed op de tafel. Hij knielde bij de bloem. Hij haalde de pot met turquoise verf uit zijn tas. Hij maakte de pot open en greep opnieuw in de tas. Hé, waar was de kwast?

De man kwam overeind. Zijn knieën kraakten. Hij voelde nog eens in de tas. Hij voelde in de zakken van zijn jas. Hij voelde overal. Hij zuchtte. 'Nooit vergeet ik iets, en nou...' zei hij. 'Ik ben zo terug.' Hij slofte de deur uit; Christofoor achter hem aan.

Oma Greta sloot de deur. Meteen maar op het nachtslot. Ze pakte de hoed van de tafel, zette hem op en bekeek zichzelf in de spiegel. 'Dat heb ik nooit geweten,' zei ze. 'Geel staat me goed'.