Skip to Content

Poëtisch leven, volgens Bobin

Poëtisch leven, volgens Bobin

Christian Bobin publiceerde zijn roman Geai in 1998, bij Gallimard. Het is een korte roman, 109 bladzijden.

De eerste zin van de roman is wonderbaarlijk:

Geai était morte depuis deux mille trois cent quarante-deux jours quand elle commença à sourire. Geai was 2342 dagen dood toen ze begon te glimlachen.

Als de lezer van zijn verbazing over deze eerste zin bekomen is en verder leest, gaat hij begrijpen dat Geai de geestverschijning is van een gestorven vrouw. Zij manifesteert zich alleen aan Albain. Dat gebeurt voor de eerste keer in een bevroren bergmeer in het departement Isère. Albain is een jongetje van acht. Hij ziet Geai twee centimeter onder het ijs liggen en begint met Geai te communiceren, eerst alleen per glimlach. Later, wanneer het ijs gesmolten is en Geai veel bij Albain in de buurt blijft, zullen ze ook met elkaar praten.

Albain is de enige die Geai kan zien of horen. Voor anderen is Geai onzichtbaar. In de loop van de roman wordt Albain volwassen; Geai zal steeds bij hem blijven, tot het moment dat Albain een liefde heeft gevonden, met dezelfde glimlach - exactement le même -, als die van Geai. Dat die liefde niet één vrouw maar twee vrouwen betreft, een moeder en een dochter, is het laatste wonderbaarlijke verschijnsel in dit verhaal, dat van wonderbaarlijkheden aan elkaar lijkt te hangen. En het wonderbaarlijke gaat in dit boek hand in hand met het wonderlijke.

Wonderlijk is om te beginnen de naam van de gestorven vrouw. Geai betekent: vlaamse gaai. Wonderlijk is de lesmethode van de dorpsonderwijzer op de school van Albain. Deze onderwijzer brengt zijn leerlingen van alles bij door ze te betrekken bij zijn amoureuze correspondentie met een verre geliefde, wier bestaan hij uit didactische motieven uit zijn duim heeft gezogen, teneinde zijn leerlingen tot conspiratieve samenwerking te verleiden. Wonderlijk is vrijwel elk aspect van het gedrag van Albain. Hij is nergens bang voor. Hij houdt van alles dat zich in de zichtbare en onzichtbare werkelijkheid aan hem voordoet. Hij verlangt niets, hij streeft naar niets. Hij laat zich noch door anderen, noch door conventies, van welke aard ook, een wijziging in zijn levensvisie, levenswijze, levenshouding opdringen.

Al voortgaande in het verhaal begrijpt de lezer dat Bobins roman Geai een verhaal is over een levenshouding. Omdat we een kind tot man zien worden, kan men op de gedachte komen dat we met een korte, poëtische, Bildungsroman te maken hebben. Dat is in zekere zin ook wel het geval. Maar de 'Bildung' bestaat in dit geval uit trouw aan zichzelf. Alle belevenissen waarvan de auteur de lezer getuige laat zijn bevestigen dit beeld: zijn hoofdpersoon toont telkenmale weer, in alle onbevangenheid, zijn vermogen om zijn leven te laten verlopen zoals dat bij hem past.

De naam Geai wordt uitgesproken als j'ai, ik heb. Het lijkt of Albain de wereld niet heeft. Zo hoort het ook , volgens Bobin. Wie iets extra's heeft, heeft gelijkertijd ook iets niet. Albain heeft iets extra's: hij ziet Geai, in de onzichtbare wereld. Daarom moet hij van de zichtbare wereld afzien. De naam Albain genereert een veelheid aan betekenismogelijkheden. Het latijnse albus, wit, kleur van de zuiverheid, dringt zich op, evenals alba, dageraad (aube). Terwijl ook aan een klankassociatie met het Duitse albern kan worden gedacht albern is eigenschap van een onbevangen dwaas, wiens 'onnozelheid' misschien op domheid lijkt maar etymologisch is verbonden aan onschuld. (De op last van Herodes vermoorde onnozele kinderen waren onschuldig, niet dom. Van Albain kan hetzelfde worden gezegd.)

De naam van Albain zet ons op het spoor van de thematiek van dit verhaal. Het gaat om de levenshouding van iemand die in zijn onschuld zo standvastig is dat hij voor het wonderbaarlijke in het leven openstaat, zodat het wonderbaarlijke hem kan overkomen.

Maar ja, wat is wonderbaarlijk? Wat is wonderlijk? Albains ontmoeting met Geai is natuurlijk wonderbaarlijk. De educatieve truc van de onderwijzer is wonderlijk. Albain leeft met het wonderbaarlijke en zijn gedrag is wonderlijk, in de ogen van de anderen.

Dat Albain een geestverschijning ziet waar de anderen die niet gewaar worden, maakt zijn gedrag eigenaardig in de ogen van die anderen. Maar vreemd is vooral dat hij niet meedoet aan wat we kunnen noemen 'het sociale spel'. Op een bepaalde manier is hij daardoor, net als Meursault uit L'étranger van Camus, een vreemdeling temidden van de mensen. Ook Albains vreemdelingschap is gebaseerd op een weigering, de weigering om de in het sociale spel geldende waarden te laten prevaleren boven de voor hemzelf geldende waarden. Het verschil tussen de schepper van Meursault en die van Albain is dat de eerste het accent op de weigering heeft gelegd, terwijl de schepper van Albain in alle helderheid doet uitkomen op grond waarvan zijn personage zich als een 'vreemdeling' gedraagt. Wat Meursault weigert wordt duidelijk in L'étranger, meer dan wat Meursault accepteert. Voor Albain, in Geai, is het omgekeerde waar. Ander verschil trouwens: Albain is, integenstelling tot Meursault een étranger heureux. Het gaat niet slecht met Albain, het loopt niet slecht met hem af. Integendeel, de lezer die Geai zou willen leven als een leerboek voor het lezen, mag een positief voorbeeld verwachten.

Niet dat Albain geen problemen zou hebben. Als de kinderen van het dorp om twaalf uur 's nachts in een weide, bij maneschijn, naar zijn vioolspel komen luisteren, worden ouders ongerust en wordt het tijd dat hij een vak gaat uitoefenen. Een pannenverkoper zal hem het vak leren van pannen verkopen. De man leert hem dat je om te verkopen jezelf moet verkopen Tu sais, petit, pour vendre il faut se vendre. In een grandioos geschreven hoofdstuk legt deze man van commercie aan zijn jonge leerling het wezen van de handel uit. Hij leert Albain onder andere het volgende: C'est facile de vendre de l'eau à celui qui est dans le désert. Tout le monde peut faire ça. Le vrai représentant, c'est celui qui vend du sable au Touareg. Water verkopen aan iemand in de woestijn: gemakkelijk. Dat kan iedereen. Een echte handelsreiziger ben je pas als je zand weet te slijten aan Touareg.

Tja. Maar Albain vindt andere zaken belangrijker. Hij laat belangrijke professionele afspraken lopen wanneer hij dromerig de tijd neemt bij het aanschouwen van een wasplaats uit de twaalfde eeuw of van een indrukwekkende kastanjeboom. Dàt zijn zaken waaraan hij tijd en waarde geeft.

Albain meldt zich bij een mogelijke klant, een fabrikant van kattenvoer, die hem thuis ontvangt, aan de rand van zijn zwembad. Ik wil het tafereel waarin deze ontmoeting tussen de fabrikant en de pannenverkoper wordt beschreven hier weergeven en analyseren, omdat citaat en analyse dienen kunnen om zicht te geven op de fundamentele strekking van het boek en ook op Bobins originele literaire werkwijze.

Le fabricant d'aliments pour chats est fier de sa maison. Très fier. Il en parle avec de l'amour dans sa voix. J'ai tout fait pour elle, tout. Je n'y suis vraiment que les dimanches. Le reste du temps, je suis dans mon usine J'ai trente employés. Ils peuvent se permettre de quitter leur travail à six heures du soir, moi je n'ai pas d'heures, je ne rentre jamais avant neuf heures du soir. Les vrais esclaves, cher monsieur, ce sont les patrons. J'arrive le matin a l'entreprise, toujours le premier, je pousse la porte et voilà j'ai déjà dépensé un million de centimes: je suis accablé par les charges, les impôts, les taxes. Ma joie, c'est cette maison. Tous les trois ans je fais construire une pièce nouvelle. Tenez, cette piscine, elle est de l'an dernier, vous ne devinerez jamais combien elle m'a coûté, alles, dites un chiffre pour voir. Le fabricant d'aliments pour chats regarde Albain, attend la réponse. Silence. Dans ce silence, le fabricant d'aliments pour chats fronce les sourcils, se saisit d'une sorte de râteau avec lequel il enlève une aiguille de pin flottant sur l'eau. Il ne sait pas, Albain. Il n'a aucune idée du prix des choses. Combien coûte un peu d'eau chlorée, c'est aussi difficile à dire que d'estimer la valeur d'une étoile, d'un lavoir ou d'un marronnier. Eh bien mon cher monsieur, cela coûte une fortune. Je l'ai fait pour les enfants.

De kattenvoerfabrikant is trots op zijn huis. Heel trots. Als hij erover praat, klinkt er liefde in zijn stem. Ik heb daar alles voor over gehad, alles. Ik ben er eigenlijk alleen maar echt op zondag. De rest van de tijd ben op m'n fabriek. Ik heb dertig man personeel. Die mensen kunnen rustig om zes uur naar huis. Voor mij is dat niet weggelegd. Ik kom nooit voor negen uur 's avonds thuis. Weet u wie de slaaf is op het werk, vandaag de dag? De baas. Ik kom daar 's morgens, op de zaak, altijd als eerste, ik doe de poort open en hup, ik heb er al een miljoen centjes tegenaan gegooid. Sociale lasten, toeslagen, belasting. Dat huis, dat is mijn lust en mijn leven. Om de drie jaar laat ik er een nieuwe kamer bij bouwen. Kijk hier, dat zwembad, dat is van vorig jaar. Wat denkt u dat dat gekost heeft? Nou, doe eens een gok. De kattenvoerfabrikant kijkt Albain aan van nou zeg eens wat. Albain zegt niets. Terwijl er niets gezegd wordt, pakt de kattenvoerfabrikant een soort hark en vist daarmee een dennennaald op die op het water dreef. Albain kan geen getal verzinnen. Hij heeft geen idee weet wat dingen kosten. Wat zo'n beetje chloorwater kost, dat is even moeilijk te schatten als de waarde van een ster of een eeuwenoude wasplaats of kastanjeboom. Nou meneer, dat kost je een fortuin. Ach, ik deed het voor de kinderen.

Wat is een kattenvoerfabrikant? Iemand die geld verdient aan onzin. Dat er katten zijn bij de mensen is prachtig. Dat er kattenvoer voor deze aaibare dieren wordt gemaakt is overbodig. Een visje, wat vleesresten, gemengd door overgebleven rijst, is al een feestmaal voor ze. Maar de rijken willen hun lievelingen op gemakkelijke wijze verwennen, en laten zich blikjes kattenvoer aansmeren. Ze zien ze bij tientallen op de speciale dierenafdeling in de supermarkt staan en laden er hun karretje mee vol. Zo dragen ze bij aan het fortuin van de kattenvoerfabrikant. Zo dragen ze er ook toe bij dat moeilijke onderhandelingen nodig zijn tussen rijke landen en armen landen over de uitgestrektheid van de territoriale wateren voor kusten, waar goed geoutilleerde Europese vissersschepen graag zo dicht mogelijk bij het land komen om véél heerlijke visjes te vangen voor de dierbare poesjes van lieve rijkaards, al is het ook ten detrimente van de roeiende en zeilende vissers ter plekke.

Dat de kattenvoerfabrikant zijn geld met onzin verdient wordt glashelder door de zorgelijke ernst waarmee hij over zijn werkzaamheden spreekt. Waar iemand zichzelf overmatig au sérieux neemt heeft men een indicatie te doen: hier wordt onzin ondergeschoffeld. Bovendien dient de litanie van de kattenvoerfabrikant over zijn drukke leven natuurlijk om zijn rijkdom te rechtvaardigen.

Het woord 'kattenvoerfabrikant' is op zichzelf al een teken van de verloedering van een samenleving. 'Voer' zou iets moeten zijn waaraan het woord 'fabrikant' niet kan worden vastgehaakt. 'Voer' hoort bij landbouw, tuinbouw, veeteelt; niet bij industrie.

Bobins narratieve kracht schuilt in zijn onnadrukkelijkheid en zijn subtiel verschuivende perpectieven. Op een paar uitzonderingen na (de openingszin is zo'n uitzondering) kijkt de lezer in deze roman voortdurend naar Albain. Albain is de eerst gefocaliseerde. Vaak kijken we met Albain mee naar andere personen in het verhaal. Die zijn dan indirect gefocaliseerde personages. We zien ze, maar door de ogen van de hoofdpersoon. Zo gaat het vaak in verhalen. Lezers worden meestal op die manier gemanipuleerd, ten gunste van een hoofdpersoon. Dat komt goed uit als de verteller er op uit is de lezer de mogelijkheid te geven om zichte identificeren met een door de auteur bevoorrecht personage.

Op het moment dat de kattenvoerfabrikant ten tonele wordt gevoerd, komt de lezer aan de weet dat hij trots is op zijn huis. Hij praat over dat huis met liefde in zijn stem. Wie vertelt dat? Wie hoort die liefde in die stem? Dat is niet duidelijk. Het kan zo'n alwetende verteller zijn, zoals we kennen uit de grote traditionele romans van de negentiende eeuw. En ook uit de eerste zin van Geai; want alleen een alwetende verteller kan over de eerste glimlach van Geai preciseren dat die op haar gezicht verschijnt precies 2342 dagen na haar dood. Maar het zou ook Albain kunnen zijn; het zou kunnen zijn dat we met zijn oren meeluisteren.

De litanie van de fabrikant staat in de directe rede. Dat is een stukje klinkklare, brute, ongemanipuleerde waarheid. De alwetende verteller brengt het over. We luisteren mee met Albain. Het gepraat van de fabrikant wordt door Bobin aan een heel concrete werkelijkheid vastgehaakt. Tenez, cette piscine? zegt de man. Het aanwijzende voornaamwoord is deictisch ­ de lezer kijkt met een wijzende vinger mee. En in een volgende alinea zien we de fabrikant tijdens een stilte een door moeder natuur in zijn zwembad gedropte ongerechtigheid uit zijn zwembad vissen ­ en handeling die de man visueel voor ons neerzet: dit is een man die zijn handen laat wapperen.

Dan zwaait de narratieve camera af naar Albain. De verteller vertelt over de toestand in diens geest. In de geest van Albain is geen plaats voor kennis omtrent de prijs van de dingen. Albain houdt ervan om lang te kijken naar een eeuwenoude wasplaats, de sterren, kastanjebomen. Dat zijn dingen waarvan de prijs niet te kennen is. Wat dan wel te zeggen over 'een beetje chloorwater'?

Wie benoemt het zwembad, waar de fabrikant zo trots op is, als 'een beetje chloorwater'? We mogen aannemen: Albain. Hoewel het niet zeker is, want minachten, denigreren, ligt niet in Albains aard. Hij voelt zich hoogstens onbehaaglijk bij dat zwembad en die fabrikant. Bobin vervaagt hier narratieve grenzen. Dat past in zijn strategie om zijn verhaal vooral niet het karakter van een betoog te geven.

Natuurlijk begrijpt de lezer wel dat hij, Bobin, afkeer voelt voor die fabrikant, dat monster van showing-off gecombineerd met zelfbeklag. Die fabrikant is de vertegenwoordiger van alles waartegen Bobin zich in dit boek op zachtaardige en humoristische wijze verzet.

Bobin schopt niet. Hij ontwricht. Hij laat het onmogelijke gebeuren, maar zo dat de lezer denkt 'Zou het kunnen zijn?' Bobin slaat niet kapot, hij draait schroefjes los. Hij zegt niet voor, hij laat ontdekken, spelenderwijs, als de dorpsonderwijzer. Hij betoogt niet. Hij vertelt.

En eigenlijk vertelt hij niet eens; hij maakt een chronologisch patch-work van poëtische notities. Zijn zinnen zijn dikwijls strofen van een prozagedicht. Poëtisch een roman schrijven? Jazeker, hij laat zien hoe dat gedaan kan worden, en hoe functioneel het is wanneer het erom gaat om ons een idee te geven hoe een poëtische wijze van leven er uit zou kunnen zien.

© Aart van Zoest, juni 2003