Meijsing: bouwstenen van liefde
'Ik die dacht voor de liefde geschapen te zijn...' Zo spreekt Pip bij zichzelf, in Doeschka Meijsings 'Over de liefde'. Liefde, als de zin van het leven. Maar kun je erover praten? De gorilla's in Artis leren ons: het hoeft niet.
'Ik had eens de theorie gekoesterd dat mensapen één trede hoger op de evolutietrap van Darwin stonden dan de Homo sapiens. Dat kon je goed waarnemen in Artis, als de gorilla's in gepeins naar de bezoekers achter de tralies keken. Ze waren voorbij de tijd, hun zwarte ogen hadden alles al gezien wat er op de wereld mogelijk was. Het was niet zo dat ze nog geen spraakorgaan hadden onwikkeld, dat orgaan was door overbodigheid afgestorven, ze waren de taal voobij, ze waren louter ervaring en wijsheid en hadden de kern te pakken, de zin van het leven, waarop de filosofen onder de mensen nog steeds hun tanden stukbeten. De zin van het leven behoefde geen taal.'
Maar ja, Pip is maar een mens. Liefde is haar bestemming. De zin van haar leven. Weten wat de zin van je leven is, het is een voorrecht in een mensenbestaan.
De elementaire bouwstenen voor de relationele mensenliefde zijn het beminnen en het bemind-worden. Er komt een derde bouwsteen bij: liefde moet zijn uitdrukking krijgen in taal. Tragisch, want het kàn niet. Je kunt die waarheid van de liefde niet adequaat uitspreken. Tjoettsjew sloeg die spijker keihard op de kop: 'De uitgesproken gedachte is een leugen'. Dus is het enerzijds beter de liefdeswaarheid binnen te houden, terwijl anderzijds de behoefte om zich uit te spreken onbedwingbaar is. Het boek van Meijsing laat ons die onontkoombare antinomie beleven.
'Ik dacht: ik heb het gehaald, ik heb alles van mezelf, althans dat deel dat me het liefst is, geheim kunnen houden, voor mezelf kunnen houden. Ik heb me niet verraden, ik heb me gedragen als wat ik het allerliefste op de hele wereld zou willen zijn, een half-onverschillige.'
Het is mysterieus. Het is onbegrijpelijk. En het is intens waar.
