Multicultuur - hinderlijke tekens
Cultuur is: betekenisgevende gewoontes
Laten we cultuur definiëren als een verzameling gewoontes om aan dingen betekenis toe te kennen. Gewoontes die eigen zijn aan mensen van een bepaalde gemeenschap. Gewoontes die het de leden van zo’n gemeenschap mogelijk maken om elkaar als zodanig te herkennen. Gewoontes die gevoelens oproepen van solidariteit en van veiligheid.
Cultuur maakt het ook mogelijk dat cultuurgenoten zich als groep onderscheiden van mensen buiten de groep, die andere tekensystemen gebruiken en op die manier te kennen geven dat ze tot een andere cultuur behoren. Cultuur houdt defensieve mogelijkheden in, dat wil zeggen dat je tekens kunt uitwisselen met de eigen groep (‘wij’); hetgeen een geruststellend gevoel geeft. En er zijn ook offensieve mogelijkheden, want je kunt eveneens tekens uitwisselen waar anderen (‘zij”) bang van worden.
Bij de gevoelens van veiligheid komen, eerlijk gezegd, vaak ook gevoelens van superioriteit en ook onverdraagzaamheid.Waar culturen met elkaar in aanraking komen bestaat kennelijke de verleiding om de cultuur-tekens van de anderen belachelijk te vinden. Of hinderlijk. En bovendien bestaat ook de verleiding om tekens te gebruiken die provocatief zijn of dat op zijn minst lijken te zijn.
Codes en vooronderstellingen
De tekensystemen van een gemeenschap berusten op een Ground, zoals Peirce dat heeft genoemd; meestal is dat een code. Dat is een verzameling van conventionele tekens. Zo’n code is het resultaat van een voorgeschiedenis, waarvan we dikwijls geen weet meer hebben. Een geschiedenis opgebouwd uit noodzakelijk of toevallige omstandigheden op allerlei gebied (talige, aardrijkskundige , klimatologische, sociologische omstandigheden, enz.).
We moeten wel beseffen dat culturen niet alleen vorm krijgen door een traditie, door een geheel van aanvaarde gewoontes (Peirce’s habit taking). Die gewoontes stoelen dikwijls ook op diepe overtuigingen, die ik ‘ideologisch’ wil noemen, waarbij ik dat begrip heel ruime neem, waarbij ik ook denk aan godsdienstig geloof, visie op de wereld, individueel of gemeenschappelijk ethisch ideaal.
Die ideologie, die uiteindelijk de Ground van de Ground is, bestaat uit een geheel van vooronderstellingen. Om die te formuleren kun je gebruik maken zekere algemene regels, die in de geest van mensen zijn opgeslagen en geïntegreerd. Die regels worden, in het algemeen gesproken, als apriori’s beschouwd, als zijnde waar en als het ware heilig. De Arguments, in Peirceaanse zin, waaraan zulke algemene regels ten grondslag liggen, zijn deductieve Interpretanten.
Anders is het gesteld met de tekens die afgeleid zijn van ewoontes die men in het leven heeft geleerd, via trial and error. Dat zijn altijd abductieve Interpretanten.
Deductie – Waarheid
Het deductieve interpreteren ontwikkelt zich dus op basis van algemene regels die als axioma’s worden beschouwd. In de natuurwetenschappen is zo’n axioma een waarheid die aangenomen wordt terwille van de te ondernemen redenering. De meetkunde van Euclides levert een goed voorbeeld van zo’n deductieve redeneerwijze. Het axioma, geformuleerd als een algemene regel wordt geconfronteerd met een bepaald feit en uit die confrontatie vloeit dan een conclusie voort.
De geopenbaarde godsdiensten – judaïsme, christendom en islam – bevatten axioma’s die niet worden beschouwd als veronderstellingen die men terwille van een onderzoek aanneemt. Die axioma’s worden beschouwd als fundamentele waarheden die eens en vooral, voor eeuwig, gegeven zijn. Die waarheden, die worden samengevat in het begrip Waarheid, met hoofdletter, zijn voor de gelovigen: vaststaand, onwrikbaar, eeuwig en in principe niet aan discussie onderhevig. Wanneer de algemene regel, waarvan men erkent dat die door God gegeven is, met een menselijk feit wordt geconfronteerd, dan komt men, langs deductieve weg, tot een conclusie en uiteindelijk tot een oordeel dat menselijke handelingen betreft.
Zulke godsdienstige interpretaties raken voor mensen onontwarbaar vermengd met cultuur-tekens, met symbolische gewoontes in het dagelijks leven. Die gebruiken heten: traditie. Traditie manifesteert zich in gewoonten of rituelen betreffende kleding- en eetvoorschriften en allerlei andere zaken. Waar culturen met elkaar in contact komen heeft men normaliter geen of weinig kennis van de ideologische basis van de semiotische uitgangspunten van de ‘anderen’. Daardoor ontstaat er een, onbewuste, verwarring over wat cultureel is en wat religieus is. De ‘anderen’ kunnen zich gemakkelijk vergissen; ze beschouwen dan als cultuur-tekens wat ‘wij’ als religieuze tekens beschouwen. Maar ja, ‘wij’ kunnen ons ook vergissen en zelf als religieuze tekens beschouwen wat in werkelijkheid slechts culturele tekens zijn. Het kan gebeuren dat zowel ‘wij’ als ‘de anderen’ onopzettelijk niet uit elkaar houden wat van godsdienstige en wat van niet-godsdienstige aard is.
Of het teken nu van religieuze aard is of niet, het zal binnen en buiten een gemeenschap worden beschouwd als een teken voor ‘ik hoor bij die of die gemeenschap’. De functie van zo’n gemeenschapsteken, cultureel of religieus, is zo beschouwd vergelijkbaar met de functie van een militair uniform.
Abductie – waarschijnlijkheid
Abductieve interpretatie zoekt de meest plausibele hypothese. Uitgangspunt is een constatering, een feit. In tegenstelling tot deductieve interpretatie gaat de abductieve interpretatiewijze niet van algemene regel naar een resultaat, quod erat demonstrandum, onder het vaandel van de waarheid. Abductie gaat van een feit uit en gaat, middels toepasselijk geachte algemene regels naar een interpretatie (een Interpretant, in Peirces terminologie) waarvan je zeggen mag: dat is waarschijnlijk. Als er zich veronderstelde waarschijnlijkheden voordoen, dan kiest de interpretatie daaruit de algemene regels die het best van toepasing lijkt te zijn. Dat betekent dat er wordt teruggeredeneerd. Abductie wordt vooral gekarakteriseerd door backward reasoning.
De hypotheses die in onze geest bestaan en waardoor we abductief kunnen interpreteren zijn algemene regels die niet gegeven zijn maar verworven. Die verworvenheden danken we aan opvoeding, scholing, lectuur, allerlei meegemaakte , ervaringen, aan allerhande exisentiële toevalligheden. De motor die ervoor zorgt dat we die algemene regels in onze geest opslaan is de inductieve interpretatiewijze.
Levenservaring, dat is: continue opslag in de geest van in de werkelijkheid geconstateerde, betekenisvol geachte, regelmatigheden. Dat gaat van de betekenis die we toekennen aan het gedrag van de buurman tot aan de handelingen die we verrichten moeten om de wasmachine te laten functioneren. We bouwen in onze geest op inductieve wijze alsmaar Arguments, door te extrapoleren, door te generaliseren, door ‘lessen te trekken’ uit, al of niet met zorg, verrichte waarnemingen, naar onze smaak goed gecategoriseerd, goed geïnterpreteerd. Zo krijgen we dan een zekere expertise, de ‘levenservaring’ die abductie mogelijk maakt.
Een voorbeeld? Tsjechow levert one een uitstekende in zijn prachtige novelle De dame met het hondje. Eén zin daaruit is voldoende om ons te doen inzien wat abductieve interpretatie is.
De hoofdpersoon, de eerst gefocaliseerde, in De dame met het hondje, is Goerow. Hij is een vrouwenman. Als hij kuurt in Jalta, aan de Zwarte Zee, en in een restaurant zit, neemt een hem onbekende vrouw aan een tafeltje naast het zijne. Tsjechow schrijft:
De uitdrukking op haar gezicht, haar manier van lopen, haar kleding, haar kapsel, alles vertelde hem dat ze van stand was, getrouwd, dat ze voor het eerst op in Jalta was, alleen, en dat ze zich verveelde…
Dat is nog eens toegepaste semiotiek! Goerow heeft wel geprofiteerd van zijn omgang met vrouwen! Hij staat, als personage, niet alleen trouwens. Door dit zo te schrijven, laat Goerows schepper, Tsjechow zelf, duidelijk zien dat ook hij uitstekend weet te interpreteren. Dat is trouwens een kenmerk dat vrijwel alle grote schrijvers gemeen hebben, of ze nu Céline heten of Joyce.
Tsjechow laat zien dat zijn personage Goerow door zijn abductief vermogen geworden is tot een Linnaeus van dames-tekens. Goerow is in staat om langs abductieve weg terug te gaan van wat hij ziet (zij draagt haar haar zó, kleedt zich zó, gedraagt zich zo) naar algemene regels die in zijn geest zijn opgeslagen (getrouwde dames dragen hun haar zó, dames die voor het eerst in Jalta zijn gedragen zich zó, enz.).
Natuurlijk is het wel mogelijk dat Goerow het mis heeft; abductie impliceert een vergissingsrisico. Dit soort Interpretants bieden niet de garantie dat ze tot waarheid voeren. Ze zijn hypothesen, zij hebben slechts waarschijnlijkheid te bieden. Wie abductief interpreteert zal toegeven dat de waarheid voorlopig of dat ‘iedereen zijn eigen waarheid’ heeft. Tegenover het dwingend karakter van deductie stelt abductie een marge van onzekerheid. En dus van tolerantie. (Sommigen zullen spreken van permissiviteit, van laksheid.)
Traditie – modernisme
We mogen veronderstellen dat zij die behoren tot een deductief georiënteerde cultuur sterk gehecht zijn aan tradities. Zulke ‘deductieven’ voelen ongetwijfeld voor behoud van het bestaande. Als we simplifiëren kunnen we stellen dat hun hang naar traditie leidt tot een soort wederzijdse solidariteit, een onderlinge gehechtheid, waarmee de traditionalisten zich afzetten tegen hen die veranderingen willen. Zij die behoren tot een abductief georiënteerde cultuur voelen meer modernisme, individualisme, vernieuwing en experimenten. Het spreekt vanzelf dat geen enkele cultuur puur ‘deductief’ is of puur ‘abductief’. We zien echter wel dominantie-verschillen. We lijken ook iets waar te nemen dat eigenlijk verbazingwekkend is: cultuurverschillen brengen de geesten veel meer in beweging dan ‘ideologische’ verschillen. We mogen veronderstellen dat de verschillen in de fundamentele status van Interpretants, deductief of abducief, hartstochten oproept. We zien dat aan de emoties, tot aan massahysterie toe, die ontstaan in landen waar men aan oude tradities gehecht is, wanneer het modernisme zich opdringt met een vaart en kracht die onweerstaanbaar lijkt te zijn. Dat blijkt dikwijls in het contact van generaties maar ook van gemeenschappen die elkaars buren zijn.
Multicultuur: een zaak van semiotiek
Migratie allerwegen. Media-globalisering. Dat alles heeft op abrupte wijze gezorgd voor nieuwe nabije buren en nieuwe confrontaties. De cultuurcontacten hebben het mogelijk gemaakt dat men veel kennis over andere levenswijzen en levensvisies heeft kunnen verwerven. Het is een rijkdom, om in contact te kunnen treden met dat wat anders is. Maar dat contact houdt ook risico’s in, van angst, van minachting.
Het is hoognodig dat we inzien dat de culturele contacten een allerbelangrijkste semiotische component hebben. Semiotici beschikken over de conceptuele instrumenten die nodig zijn wanneer we de aandacht wilen richten op de symbolische aspecten van de culturele botsingen. Semiotici moeten in staat worden geacht om het verschil aan te geven tussen wat belangrijk is en wat van ondergeschikt deailkwesties zijn. Zij kunnen aangeven wat defensief is en wat offensief (of zelfs agressief).
Laat ik één enkel voorbeeld geven. In Frankrijk is, in 2004, voor het eerst een prefect benoemd die moslim is en voortgekomen uit de immigratie. Zijn naam is Aïssa Dermouche. Enkele dagen na zijn benoeming is in Nantes, niet ver van zijn woning, zijn geparkeerde auto vernield door een aanslag. Monsieur Dermouche heeft daarop gereageerd alsof hij een semioticus was, door te zeggen: ‘De ene symboliek volgt op de andere’. Dat klopt: de nieuwe prefect dankt zijn benoeming aan de bestuurlijke kwaliteiten die hij heeft laten zien als hoofd van een belangrijk instituut voor tertiair onderwijs in Nantes, maar hij laat door wat hij zegt merken dat hij wel begrijpt dat zijn uitverkiezing door vrijwel iedereen wordt beschouwd als een teken. Dat teken is gevolgd door een ander teken, zoals blijkt uit wat een woordvoerder van het Front National zei: ‘Dit is een waarschuwing aan president Chirac en zijn regering’. De benoeming van monsieur Dermouche is dus van alle kanten (mogelijkerwijs zelfs ten onrechte) opgenomen als een semiotische daad. Met positieve strekking voor de één en negatieve strekking voor de ander.
(Tussen haakjes: we moeten ons realiseren dat het opblazen van de auto misschien helemaal niet bedoeld was als protest; het kan ook een daad van afgunst zijn geweest). Hoe dan ook, de media en het publiek hebben aan het gehele gebeuren zijn semiotische lading gegeven. De verstrengeling van het denkbeeldige en het reële kan griezelige sociale effecten hebben.)
Index appeal
De impact van dit soort tekens is enorm groot. Dat komt , semiotisch gesproken, door hun indexicaliteit. Een index, het referentiële teken bij uitstek, is het teken dat als kenmerk directe, dikwijls concrete existentiële, aangenzendheid impliceert tussen het teken en dat waarnaar het verwijst (voorbeeld: een pijl die naar de uitgang wijst en de uitgang zelf; en ook koorts, die wijst op ziek-zijn). Weliswaar zijn visuele tekens fundamenteel iconisch, maar dat neemt niet weg dat foto’s en filmbeelden die gemakkelijk herkenbare realiteiten representeren een psychologische kracht hebben die voortkomt uit het feit dat ze vooral indexicale tekens zijn.
In 1978 heb ik in mijn Semiotiek, over tekens, hoe ze werken en wat we ermee doen *) de hypothese gelanceerd dat het indexicale teken ons raakt (een emotie oproept), terwijl het iconische teken onze esthetische zin in werking zet en het symbolische teken zich tot onze ratio wendt. Op het congres van de International Association of Semiotic Studies te Lyon, in 2004, heb ik de Argentijnse semioticus Fernando Andacht, in zijn analyse van de reality show getiteld Big Brother **), de uitdrukking Index appeal horen lanceren. Een uitdrukking die me als heel toepasselijk voorkomt.
De indexicale tekens die zo indringend de semiotiek verbinden met een ons bekende werkelijkheid hebben een bijna magische kracht.
Zo, door deze kracht van het Index appeal, kan het gevoel van onveiligheid ontstaan en de angst of de verbittering. Ideologische en politieke verschillen worden zichtbaar door tekens die van symbolische (conventionele) aard zijn. Hun persuasieve kracht richt zich tot de rede. Ze verwekken niet de uitzinnige hartstochten die voortvloeien uit culturele verschillen. Het lijdt geen enkele twijfel: de emoties winnen het in onze dagen (altijd?) maar al te gemakkelijk van de redelijkheid. Dat geldt voor ons mensen en dus: onze maatschappij.
Het opvallende teken
In Frankrijk is het voortaan bij de wet verboden om opvallende religieuze tekens te dragen in publieke gebouwen zoals universiteiten, scholen en hospitalen. De wet wordt officieel wet betreffende de ‘laïcité ‘ genoemd. De vox populi zegt het beter: ‘wet op het hoofddoekje’. Het woord ‘opvallend’ is ongetwijfeld gekozen als gevolg van de opvallende toename van hoofddoekjes die Franse autochtonen hebben zien verschijnen in de wereld van hun dagelijks leven. Niemand zou het idee hebben gekregen om met een wet op de ‘laïcité’ op de proppen te komen, als het alleen maar om de schaarse tulbanden van de Sikhs was gegaan. Ik geloof dat het goed is om de dingen bij hun naam te noemen: het hoofddoekje is voor veel niet-moslims in Europa een offensief teken, een verontrustend teken. Het hoofddoekje zelf is natuurlijk niet verontrustend; het zou eenvoudigweg beschouwd kunnen worden als iets cultureels met als achtergrond een religieuze traditie. Veel westerse niet-moslims zien er een teken in dat verwijst naar ‘onderdrukking van de moslim-vrouw’. Maar die inerpretatie maakt de hartstochten niet los. Het dragen van eeen hoofddoekje is een verontrustend teken geworden vanaf het ogenblik dat er wel erg veel in de straten te zien waren en dat aantal alsmaar toenam. Vanaf het moment dat er in het sociale verkeer interpretaties konden ontstaan van het type ‘een moslim-vloed dreigt onze maatschappij te overspoelen’. Het aannemen van de wet ‘op het hoofddoekje’ was een politique daad met semiotische portée: ‘we gaan dat niet laten gebeuren’.
Mogelijk semiotisch onderzoek
Het zou goed zijn om aan de hand van semiotische concepten onderzoek te doen naar de problemen van de interculturele contacten. Ik denk daarbij aan de problemen die voortvloeien uit de immigratie in een land als het mijne. In Nederland spreekt men niet van ‘laïcité’ maar worden de problemen van cultuurcontact veelal benaderd aan de hand van een begrip als ‘integratie’.
Na de aanslag op de auto van monsieur Dermouche, trok een uitspraak van Alain Duhamel mijn aandacht. Die aanslag, aldus Duhamel laat zien dat ‘het symbool van het welslagen van de integratie als hinderlijk wordt beschouwd’ (‘le symbole de réussite de l’intégration dérange ‘). Sociologen en psychologen zouden burgers kunnen vragen naar de culturele tekens (die van anderen, die van henzelf) die ze herkennen. En die ze als hinderlijk ervaren! (1) Wat zijn de grenzen van het aanvaardbare, kwantitatief, kwalitatief? (2) Wat zijn de ‘algemene regels’ , (rationele, irrationele, bewuste, onbewuste) waarop ze hun interpretaties, conclusies en beslissingen baseren?
(3) Wanneer de resultaten van zulke onderzoeken worden gesystematiseerd, zal het vooral belangrijk zijn om ook te bekijken welke interpretatie-procedures zijn gehanteerd, waarbij ik denk aan de soorten Arguments; hoeveel zijn deductief, hoeveel abductief? Ik heb het idee dat de excessieve intolerantie die zich nogal eens voordoet in de discussie over culturen in contact verband houdt met een fundamentele antinomie tussen deze beide interpreteer-wijzen.
*) Aart van Zoest, Semiotiek. Over tekens, hoe ze werken en wat we ermee doen, Baarn, Ambo, 1978, p.34
**) Fernando Andacht, Representing the real to-day: a reflection on the limits and effects of the representation of everyday life after Big Brother. Dans: Les Signes du Monde. Inerculturalité & Globalisation. 8e Congrès de l’Association Internationale de Sémiotique. Résumés, Université Lyon 2, 2004, p.387-388
Aart van Zoest - 2004
