Skip to Content

Drollenvanger en andere jeugdherinneringen

Drollenvanger en andere jeugdherinneringen

Ze heetten plus-fours, officieel. Er waren jongens die het wel over hun plusvoor hadden. Zo'n jongen als Slaggie vast en zeker. Die deed alles wat zijn moeder hem vóórzei. Dat krijg je al gauw als je in de Cliostraat woont; daar was ook een openluchtschool.

Maar wij in de straat hadden het over drollenvangers. Variant:
aardappelenzak, ik gebruik hier, onder protest, de voorgeschreven spelling, want drollevanger zou me beter bevallen.

Het zal Engelse import zijn geweest. Alleen Engelsen kunnen zoiets bedenken. Ze houden immers innig van alles dat het leven moeilijk maakt: honden en praten met een stijve bovenlip. En rare, onhandige, paardenharen kleding. Daarom krijgen ze ook van die harde knieën, wat je goed constateren kan wanneer ze bij hun knoestige wandelstok een plissé-minirok aantrekken om een rotsige wandeling te gaan maken in de mist van het Lake District. Ik heb het over mannen als prins Charles. Neem Charles. Logisch dat Diana haar hand liever op de knie van Dodi lei. Maar ik dwaal af.

Onze moeders vonden dat wij drollenvangers moesten dragen. Je zag er keurig mee uit, vonden ze. En misschien waren ze ook wel in de aanbieding, een afgedankte partij uit Stepney Green bij Kreymborg in de Ferdinand Bol. Ik gis maar.

Om je goede wil te tonen maakte je een gammel gespje vast onder de knie boven de kuit. Maar hoeveel kuit had een Amsterdamse puber, begin jaren veertig? Even hollen. Even voetballen en dat wat zo keurig over de kuit had overgebloesd tot halverwege knie en enkel was slonzig afgedaald tot op de schoenen. Wat slobberde die rotbroek als je je eentweetje met de stoeprand maakte.

Ik heb ook nog een rijbroek moeten dragen. En zelfs lange gebreide wollen kousen, die onder de korte broek met een jarretelletje vastzaten. In die kousen kwamen vaak flinke gaten bij de knieën na het vallen. Wel lekker warm, maar achterlijk gezicht natuurlijk. Gezegend was de dag dat we een lange broek aan mochten. Snoeverig lieten we elkaar de binnenkant van de broekrand zien, tenminste als daar witte voering te zien was met zwarte strepen net als bij volwassen kerels. Een betere manoeuvre om voor vol te worden aangezien was er niet.

----

Zo rond de jaren veertig kwamen in Amsterdam, in de Balthasar Floriszstraat, tussen de Pieter Baststraat en de Hobbemakade, na het avondeten (aardappelen, vette jus en andijvie) de jongens de straat op om te voetballen. Dat deden ze op de rijweg. De middenweg heette dat.

Het kon. Er reden praktisch geen auto's. Soms nog paard en wagen van een aardappelenboer. Soms de handkar van een voddenman. Op vrijdag arriveerde uit de richting van de brug over de Hobbemakade, die aan de overzijde Ruisdaelkade heette, een kar met vis, vooral schol en aal, van Klaas, een rasechte Volendammer met wijde broek en heldere ogen en een stem als Richard Tauber. Altijd vrolijk. Alle vrouwen uit de straat stroomden dan toe naar zijn koopwaar en zijn stralende persoon.

Om de opstelling van de straatvoetbalploegen te bepalen, moesten twee topdogs onder de jongens een keuze maken uit een stelletje ongeregeld dat rond hen dromde. Die twee waren jongens die als leiders werden erkend. Ze moesten oppoten om te bepalen wie het eerst mocht kiezen.

De oppoters gaan een flink eind uit elkaar staan. Ze begeven zich dan in elkaars richting door beurtelings de hak van de ene schoen te plaatsen voor de teen van de andere. Zo wordt de ruimte tussen beiden steeds kleiner. Wie zijn schoen plaatsen moet zodat de ander hem op de teen trapt, heeft verloren; de ander, de winnaar, mag het eerst zijn keuze bepalen. Het is erg spannend omdat er raffinement schuilt in de laatste fase. Dan mag de schoen namelijk, in plaats van rechtuit, ook dwars worden geplaatst. Dat luistert precies. Je geeft in die fase de tegenstander natuurlijk geen millimeter cadeau door na te laten de zijkant vast tegen de al geplaatste schoenpunt te plaatsen. Er kan ook wel een mee gemiecheld worden, door de voet een beetje schuin achterwaarts te plaatsen of schoenoverlapping toe te passen. Maar tegenstander en omstanders letten uiteraard zeer scherp op. Er ontstaan dikwijls fikse geschillen over de rechtmatigheid van de dwarsplaatsing, vergelijkbaar met de disputen die jeudeboulers kunnen hebben over afstanden tussen ballen en het cochonnet.

Als bepaald is wie het eerst mag kiezen, moeten de verkiesbaren op een rij gaan staan. De keuzeheren laten hun blikken doordringend over de gegadigden gaan. Gekozen coryfeeën sluiten als eersten aan naast hun captains, met wie ze een sfeer van ouwejongens krentenbrood tot stand brengen. De middelmatigen zetten hun borst vooruit en hun blik op wervend. Zij worden met grotere snelheid en een zekere achteloosheid ingelijfd. Lamentabel zijn de laatste zeven of acht, de kleine jongens. Voor dit samenraapsel nemen de keuzeknapen de moeite van het one vote one man niet meer. Een verveeld armgebaar klieft dit lompenproletariaat in twee secties waarvan de samenstelling niemand interesseert. 'Neem jij die, dan neem ik die.' Weer had Brammetje Zwalm niet kunnen bereiken dat hij anders dan op deze vernederende wijze was geselecteerd. De blik in zijn ogen vergeet ik natuurlijk nooit.

----

Krik krak
M'n pik brak
Toen ging ik naar de timmerman
Die sleep er weer een puntje an
Toen ging ik naar de keuken...

Deze versregels leerde ik toen ik op die keurige openbare lagere school, de Daltonschool, in de Jan van Eykstraat, zat, ik geloof in de vierde klas. Niet van de juf. Maar van een klasgenoot, Frans de Bueger. Hij onderscheidde zich van alle klasgenoten doordat hij van heel ver kwam. Hij woonde op Wittenburg; dat is wel een heel eind uit de buurt. Alle anderen woonden een stuk dichter bij de school, meestal in de Apollobuurt of in de Beethovenbuurt. Ik zelf kwam al van tamelijk ver, de Balthasar Florisz, maar zelfs vandaar kon je te voet op school komen. Frans de Bueger was de enige die op de fiets naar school kwam.

Frans de Bueger was een arbeiderskind. Aan zijn truien kon je dat al zien, en vooral kon je het horen aan zijn taalgebruik. Hij was van nòg lagere sociale klasse dan ik. Mijn vader was een kale neet van een kantoorbediende, maar behoorde toch nog altijd tot het witteboordenvolk is. De Bueger beweerde dat zijn vader orgeldraaier was. Terwijl ik, na enige pijnlijke correcties, mijn Amsterdamse accent had afgelegd, had hij het gehandhaafd. Hij was de frisse wind in onze klas, een exotisch element. Vriendjes kreeg hij niet; dat lukte niet of wilde hij niet.

Slaggie was een slijmerd. Hij ging het gedicht aan zijn moeder voordragen. Die ging klagen bij het hoofd der school. Deze droeg een prachtige Franse naam, Fanoi. Omdat bij mij thuis geen kennis van de Franse taal bestond, werd ze aangeduid als mevrouw Van de Wah, een naam die mijn ouders uitspraken met een ontzag dat licht gekruid was met weerzin.

Zij was streng en vorderde van alle jongens in de klas dat ze na schooltijd, na vieren, het gedicht opschreven. Het gedicht eindigde officieel met de volgende twee regels:

Toen ging ik naar de keuken
Om met de meid verder te neuken.

Aangezien ik, zo groen als gras, mij bij neuken niets kon voorstellen, had ik er van gemaakt:

Toen ging ik naar de keuken
En de meid mocht eraan jeuken.

Ik herinner me nog dat dit gebruik van een werkwoord, dat ik alleen kende in de onpersoonlijke derdepersoonsconstructie 'het jeukt', me lichtelijk stoorde, maar wat doet een mens niet terwille van het rijm.

Het schoolhoofd liet alle ouders van de jongens die kennis droegen van het schandelijke gedicht op school komen en eiste bestraffing, waarbij het aan de creativiteit van de ouders werd overgelaten waaruit de straf zou bestaan.

Het ontbrak ons in die dagen onder mannelijke klasgenoten niet aan gesprekstof. De straffen waren erg gevarieerd. Ik weet alleen nog dat het ons stak dat die slijmerd van een Slaggie er natuurlijk weer veel te gemakkelijk afkwam. Ook mijn ouders begrepen dat ze iets moesten doen. Een week lang mocht ik niet 's avonds de straat op. Ik moest de voetbalwedstrijden in de straat een weeklang vanuit het raam, driehoog volgen. Dat werd ruimschoots gecompenseerd door het prestige dat het verhaal over mijn poëtisch avontuur me verleende bij de jongens van de straat.

----

Het gebeurt in de winter 1944-45 op het Roelof Hartplein in Amsterdam. Op de hoek van de Balthasar Floriszstraat: de Tweede Vijfjarige Hogere Burgerschool, door een ijzeren hek omgeven. Tegen dat hek, op het trottoir, staat een Duitse legertruck. Er komt een man op een fiets aanrijden. Hij stopt naast de auto en gooit iets naar binnen door het geopende raam van de onbemande cabine. Wanneer hij dat gedaan heeft, fietst hij haastig weg.

Even verderop staan vijf veertienjarige knapen, leerlingen van de Tweede Vijf, na hun schooltijd, te kletsen. Ik ben een hunner. We zien wat de man heeft gedaan en gaan eens even kijken wat hij naar binnen heeft gegooid. Een vettig pakje. Door elastiek bijeengehouden grijze staafjes. Schertsenderwijs houden we onze schooltassen voor onze hoofden, als om ons tegen een ontploffing te beschermen. Amsterdammertjes. Maken overal een geintje van. Bij de vrachtwagen blijven we daarna nog een kwartiertje voortpraten.

'Ik ga eens naar huis', zegt een onzer. We heffen de bijeenkomst op. Er valt huiswerk te maken. Ieder gaat zijns weegs. Stieglis moet het verst, geloof ik; hij is in een soort tehuis gestopt ergens in de Rivierenbuurt. Ik woon vlakbij, in de Balthasar Floriszstraat. Als ik op nummer zestien de drie trappen op ben gegaan en op het punt sta om in de keuken, het enige vertrek waar gestookt wordt, een leerboek tevoorschijn te halen, horen we een verschrikkelijke knal. Ik zeg: 'Verrek. Die moffenwagen.' Ik hol de trappen af. Zie aan het eind van de straat de gebroken ramen. Bij het hek grote gele vlammen op de plek waar de vrachtauto staat. Stond. Hij is in stukken uiteengerukt. Die stukken liggen rondom verspreid. Daar stonden we, nog maar vijf minuten geleden. Ik heb wat te vertellen aan nieuwsgierige omstanders.

----

Er was een tijd dat pubermeisjes witte sokjes droegen met daarin een kammetje. Het moet in de jaren van Herrijzend Nederland zijn geweest. Ik geloof dat het sexy werd gevonden. Alleen ordinaire meisjes deden het.