Skip to Content

Eduard von Keyserling

Eduard von Keyserling

Eduard von Keyserling (1855-1918) heeft op de meest fijnzinnig denkbare manier de de plooitjes in de menselijke ziel beschreven, vooral wanneer die ziel zich overmand weet door liefde of de voorloper daarvan, verliefdheid. Ik heb nog niet veel van hem gelezen, maar kan me verkneukelen bij de gedachte dat ik dus nog het een en ander van hem te goed heb. Ik ben nu begonnen aan zijn 'Beate und Mareile' dat als ondertitel meevoert: 'Eine Schlossgeschichte'.

Een kasteelverhaal dus. Hij weet waarover hij het heeft, die graaf Von Keyserling. Hij is geboren op een kasteel. Gelukkig heeft deze landjonker zich in zijn leven vooral gewijd aan de literatuur. Het is hem in dat leven niet in alle opzichten van een leien dakje gegaan: alvorens te sterven is hij lang ziek en blind geweest. Dat heeft hem niet verhinderd om met grote geestkracht kostelijke bijdragen tot de Duitse literatuur te leveren, ook wanneer zijn gezichtsvermogen hem geheel en al is ontvallen.

Het portret dat 1896 van hem gemaakt is, door Lovis Corinth, laat, an sich, zien dat deze man een wereld beschrijft die aan het ondergaan is. Hij heeft meegemaakt dat de rol van de Duitse adel uitgespeeld raakt; een andere klasse gaat in de pasgeboren natie de loop van de geschiedenis bepalen. Mensen die er uitzien zoals Eduard aan het einde van de negentiende eeuw, treft men in onze dagen niet meer aan.

Deze breekbare aristocraat heeft ons literaire juwelen nagelaten. Om dat aannemelijk te maken, volsta ik met enkele luttele zinnetjes uit het boek waarin ik nog maar pas begonnen ben. Wanneer hoofdpersoon Mareile Ziepe met de trein in haar dorp terugkeert en bij het station geen auto kan vinden die haar naar het kasteel kan brengen, gaat ze te voet op weg, langs een pad door de hei. Ze herkent het landschap om zich heen.

'Daar lag het land, stil en stoffig. Overal geel zand; daarop weiden, akkers en tuinen, als een bleek geworden borduursel op een blind geworden gouden grond. Krekels sjirpten aan de rand van de weg.'

In het Duits: 'Still und staubig lag das Land da. Überall gelber Sand; Wiesen, Felder und Garten lagen darauf, wie eine verblasste Stikkerei auf einem blind gewordenen Goldgrund. Die Feldgrillen schrillten am Wegrain.'

Wat een prachtige beschrijving. Wat een verrassende, wonderbaarlijke vergelijking van een landschap met borduursel op blind geworden gouden grond. En hoe ontroerend als men weet van de blindheid waarmee Von Keyserling te maken kreeg. In een nietige notendop resumeert hij hoe men van visuele perceptie kan overgaan tot wat oren te horen krijgen. De waarheid van de schrijver schuilt tot in de plooien van zijn tekst.