Eeuwige sneew

De eenzame wandelaar zag de eeuwige sneeuw. Het vervulde hem met grote vreugde. Hij wist: nu ben ik hoog. Hij begon grote passen te maken om sneller voorwaats te gaan.
Wat een mooi uitzicht. Een bergtop met bovenaan al dat wit.
Toen hij dat zag, vergat hij bijna hoe moe hij was. Hij was 's morgens om vijf uur begonnen te lopen. En nu was het twaalf uur. De zon stond op zijn hoogste punt aan de hemel.
Twee uur lang stapte hij flink door. Het pad waarop hij liep was steeds smaller geworden. Nu kwam hij op een plek waar helemaal geen pad meer was. Hier was de grond bedekt met sneeuw. Eeuwige sneeuw. Hij wist wel wat dat was, eeuwige sneeuw. Eeuwige sneeuw is sneeuw die niet smelt. Hij had dat in een boek gelezen.
Hij ging in de eeuwige sneeuw zitten. Hij deed zijn rugzakje af. Nu voelde hij pas goed hoe moe hij was. Hij haalde zijn brood tevoorschijn en zijn veldfles met limonade. Hij at. Hij dronk. En strekte zich uit, op zijn rug. Hè hè, even rusten. Hij zag de blauwe lucht. Toen vielen zijn ogen toe.
Als hij wakker wordt, ziet hij tot zijn schrik dat het al schemert. Hij heeft veel te lang geslapen. Oei, hij moet nog de hele weg terug. Hij staat op en voelt aan de achterkant van zijn broek. Helemaal nat. Die eeuwige sneeuw is tòch gesmolten. Wat een akelig gevoel.
De eenzame wandelaar kan wel huilen. Maar hij doet het niet. Eenzame wandelaars zijn altijd heel flink. Hij hangt gauw zijn rugzak weer op zijn rug, voelt nog eens aan zijn natte broek, zucht, kijkt nog even naar de top van de berg en begint te lopen, dezelfde weg terug. Hij begint te rennen. Hij weet dat het gevaarlijk is in het donker op zo'n klein paadje.
Hij rent te hard. Hij struikelt. Hij krabbelt overeind en voelt dat zijn been pijn doet. Au au, hij kan haast niet lopen van de pijn. Het is bijna aardedonker. En de achterkant van zijn broek is nog steeds nat, dat voelt hij.
'Heb jij het in je broek gedaan?' Hij hoort een stemmetje en kijkt om. Daar staat een kabouter met een lantaarntje.
De wandelaar vertelt wat er gebeurd is. De kabouter zegt: 'Jij moet niet verder gaan in het donker. Dat is veel te gevaarlijk.' Wat te doen?
'Ga maar met mij mee. Ik woon vlakbij.' Zo gezegd zo gedaan. De kabouter gaat de wandelaar voor. Die strompelt achter hem aan. Daar is het kabouterhuis. Veel te klein natuurlijk voor een mens.
De wandelaar had geen verstand van kabouterhuizen. Hij dacht van o jee, hoe moet dat? Hij kon niet weten dat kabouters altijd een wonderbaarlijke fietspomp bij hun huisje hebben staan voor speciale gasten. Hup, in een paar tellen pompt de kabouter zijn huis op. Samen gaan ze naar binnen.
Het is er heel knus. En als klap op de vuurpijl haalt de kabouter zijn tonnetje tevoorschijn. Daar zit cognac in. Als je dat drinkt word je lekker warm. Bij het eerste glaasje cognac vertelt de kabouter dat hij dat tonnetje voor zijn verjaardag heeft gekregen van zijn vriend, de grote St.Bernard-hond. Bij het tweede glaasje vertelt hij over de sneeuwhaas die naar Marokko wil verhuizen. Bij het derde glaasje vertelt de wandelaar over zijn buurman die altijd de radio veel te hard aanzet. Bij het vierde glaasje beginnen ze samen te zingen, van Hansepansekevertje. Ze krijgen vreselijk de slappe lach.
De wandelaar blijft een week logeren. Dan zegt hij 'Ik stap weer eens op'.
Zijn broek is dan al lang weer droog.
