Eufemisme
De afbeelding, een foto uit 1927, laat Rika Hopper zien die een arriverende kunstenaar een hand geeft. Helemaal links staat de geniale Tsjechow-regisseur Sjarow en rechts staat de man met wie ze een jaar tevoren getrouwd was: Jacques Citroen, acteur, die het pseudoniem Jacques van Hoven voerde, alsof hij ergens een voorgevoel van had. Rika was wat de Fransen noemen 'een als heilig beschouwd monster'. Un monstre sacré.
Dat betekent dat ze een vereerd toneelspeelster was. Een BN. In het 'Lexicon van Nederlandse tonelisten', van Joh.M.Coffeng, staat: 'Populaire actrice met mooie stem.'
Hij was wel een tikje nasaal, die stem. Ik kan dat getuigen, want ze heeft me eens heel kort toegesproken. Dat was bij de artiesteningang van het Flora Theater in Amsterdam. Dat bestaat niet meer in de Amstelstraat maar nog wel in mijn geheugen. Rika Hopper (1877-1964) zal toen ongeveer tachtig jaar oud geweest zijn. Ze had al van het actieve acteren afscheid genoemen, maar bezocht alles wat er in Nederland nog aan toneelvoorstellingen voorhanden was en ging tijdig in haar rolstoel, bijgestaan door haar trouwe kleedster, bij de deur wachten tot de actrices en acteurs zich afgeschminkt hadden en naar buiten kwamen. Die kregen dan een langdurige handomvatting en een gevoelig gebracht compliment, dat uiteraard beantwoord werd met een gepast vertoon van eerbied en dankbaarheid. Hoe slecht de uitvoering ook geweest mocht zijn, dit was in ieder geval een pracht van een scène.
Ik was die avond mijn toneelspelende echtgenote komen afhalen, had aan het einde van het stuk (De vrek, van Molière, geloof ik) een tijdje tussen de coulissen gestaan en ging, na het danken, terwijl de artiesten zich weer in civiel gingen steken, maar vast naar buiten om daar een sigaretje te roken.
Daar zat ze, Rika Hopper. Ze omvatte gul mijn handen nog voor ik mijn pakje Belinda uit mijn zak had gehaald. 'Je hebt prachtig gespeeld jongen.' Ik mocht het genot beleven om uit de mond van een idool een totaal onverdiend compliment te ontvangen.
Maar ja, wat moest ik doen? Zeker niet zeggen 'U bent in de war mevrouw Hopper.' Ik zei: 'Dank u wel mevrouw Hopper.' Een Louis d'Or hadden ze me moeten geven voor de wijze waarop ik mijn repliek wist te brengen. Eeuwige erkentelijkheid, nederige aanbidding, innige liefde, dat alles werd uitgedrukt door de warmte van mijn stem. Als hij me gehoord had, zou Egbert van Paridon, toenmalig directeur van de Toneelgroep Centrum, mij zonder enige twijfel hebben geëngageerd.
Mevrouw Hoppers echtgenoot heb ik niet meegemaakt. Hij staat nog wel op de foto van 1927. Maar toen ik twaalf was en mijn eerste toneelvoorstelling nog moest meemaken, in 1942, is hij gestorven. In Coffengs Lexicon lees ik: 'Tijdens de bezetting door de Duitsers weggevoerd en omgekomen.'
Omgekomen? Alsof hij is aangereden door een auto? Of lelijk uitgegleden op glad ijs? En ik denk: waarom dit eufemisme? Waarom staat er niet 'omgebracht'? Of zou dat ook nog al te beschaafd hebben geklonken? Vragen. En uiteindelijk probleem: waarom toedekkerig taalgebruik daar waar het misplaatst is?
