Rampen en ellende
Soms lees ik het Indonesische Engelstalige blad Tempo. Carla Bianpoen brengt het voor me mee wanneer ze uit Jakarta over komt. Prima blad. Houdt me goed op de hoogte over wat er speelt in Indonesië, het land waar ik vrienden heb.
Het allerbeste in Tempo komt helemaal aan het einde van het blad, een pagina gevuld met een bespiegeling van Goenawan Mohamad. Wanneer ik hem lees, moet ik aan Sjahrir denken. Eruditie en wijsheid, prikkeling der geesten. Mobilisatie van het denken: taak van de intellectueel.
Goenawan had het over rampen en de ellende die God niet verhindert. Hij begint met een verwijzing naar Leon Wieseltier, die beschrijft hoe hij in een boot zit in een storm. Doodsgevaar. Een zilvermeeuw landt op zijn boot en bekijkt Wieseltier met kille onverschilligheid.
Dat brengt Wieseltier en ook Goenawan Mohamad tot een bespiegeling over rampen zoals de tsunami, die in Indonesië en elders duizenden slachtoffers heeft geëist.
Was dat Gods wil? Toont dat Gods onverschilligheid tegenover menselijke ellende? Of was het misschien een teken, door God gegeven? Het zijn vragen die bij velen leven. Het is goed dat een denker zijn visie geeft.
Goenawan verwijst naar een overdenking van Ibn Taymiyah (1263-1327). En naar Voltaires tekst over de aardbeving in Lissabon (1755). Recente voorbeelden, zegt Goenawan, zijn de aardbeving in Pakistan, moordpartijen in Bosnië, het lijden in Palestina.
Daar moet naar mijn smaak wel een kanttekening bij. Want moordpartijen, in Bosnië of Palestina, dat is mensenwerk, heel anders dan een aardbeving of de grote golf van de oceaan.
Ik zou liever zeggen: de tsunami, de aardbevingen, mogen we rekenen tot Gods wil. Voor moordpartijen geldt dat niet. Die vloeien voort uit de kwaadaardige wil of kille onverschilligheid van mensen.
