Skip to Content

Leven in de gracht

Leven in de gracht

Er wordt wat afgeleefd in de gracht. Begin juni. Eergisteren trok een eendemoeder voorbij langs de aangemeerde boten aan de overkant. Ik zal het me wel verbeeld hebben, maar ik meende toch echt in de fiere houding van haar kop, de trotse welving van haar borst, waarmee ze het gore grachtwater kliefde, een immens welbehagen te kunnen aflezen. Mijn aandacht was getrokken door de piepgeluidjes. Achter haar dobberden haar kleintjes, kennelijk nog maar nèt uit het ei.

Ik moet en zal dan weten hoeveel het er zijn. Acht. Ja, dan moesten ze nog wel piepjong zijn. Acht kinderen achter zich weten, dat duurt bij een eendemoeder in een Amsterdamse gracht niet lang. De eksters boven en de ratten beneden, ze lusten er wel pap van. Luttele dagen na de geboorte van haar kroost is moeder met het natellen gauw klaar.

Als ik die minuscule pluizen bedrijvig voorbij zie drijven, moet ik altijd even aan Solzjenitsyn denken. Ergens heeft hij geschreven (ik refereer uit mijn hoofd) dat hij zulke eendjes niet kan zien zonder elke twijfel aan het bestaan van God opzij te zetten. Dàt kunnen mensen toch niet maken.

Mensen maken plastic. Het drijft in slierten in de gracht voorbij. Maar ook hier geldt dat elk nadeel zijn voordeel heeft. Vandaag nam ik waar hoe, even verderop, een meerkoetenpaar nog met van die smerigwitte slierten plastic aan het sjorren was om het nest, dat ze op de gebruikelijke slonzige wijze in elkaar geknutseld hadden, in het prutwater temidden van een halfgezonken rubberbootje. Je kon zien dat ze, naar eigen opvatting, bezig waren om hun woning te verstevigen en, wie zal het zeggen, naar eigen smaak ook wel: te verfraaien.

Onder de stevige, zwarte ouderlijven, die ik zo krioelden kersverse kleintjes. Vijf. Daar zijn de eendjes nog niets bij, wat betreft het vermogen om vertedering te wekken. Dat de pasgeboren meerkoetjes een rode plek op hun kop hebben is wonderbaarlijk, want later moeten ze elkaar aan een witte vlek herkennen en is er geen rood meer te zien. Volslagen inefficiënt, maar een verrukking voor het mensenoog. En dan nog gele punk-haartjes daarboven uit. Iemand heeft aan de hemelse tekentafel wel heel vreselijk erg zijn best gedaan om onze vertederingsspier te treffen.

Wat een leven in de gracht! De wereld is nog niet verloren! En te weten dat op het vasteland, tussen de tegels van het trotoir, madeliefjes bloeien.