Skip to Content

Zingen van 't groene dal

Zingen van 't groene dal

In 't groene dal, in 't stille dal
waar kleine bloempjes bloeien
daar ruist een blanke waterval
en druppels spatten overal
om ieder bloempje te besproeien
ook 't kleinste

Dit zong ik dikwijls, samen met mijn moeder. Dat gebeurde toen ze over de tachtig was. Dement geworden. Ik had haar gekend als een beminnenswaardige en mij beminnende jonge vrouw; een kathedraal van levenswil, om het met Achterberg te zeggen.

Ze was nog maar net in de twintig toen ze met ons meevoetbalde op een open plek in het bos. Het Bos van Bredius, om precies te zijn. Mijn ouders waren erheen gefietst op zondag. In de leeftijd dat ik nog in afwachting was van mijn lagere-school-tijd zat ik tijdens zo'n fietstocht op een zadeltje voorop tussen een windschermpje op het stuur en mijn vader, die tijdens het ronddraaien van de pedalen bereid was op mijn talrijke vragen antwoord te geven. Mijn jongere zuster Thea werd achterop bij Mama vervoerd.

In het bos aangekomen zetten we ons in het gras. We aten meegebrachte boterhammen met pindakaas. Geen gebrek, geen overdaad. Soms een scheutje overdaad: een kogelflesje. Weinig zorgen. Oorlog en bezetting, het moest nog komen.

Op het grasveld maakten we twee doelen. Dat was niet moeilijk. Twee kledingstukken, jas of jack, gaven het doel aan. De palen en latten waren virtueel en gaven soms aanleiding tot discussie ('Goal!' 'Nee hoor, die bal was over', 'Goal!' 'Niks d'rvan, tegen de paal', 'Nee, aan de binnenkant').

Wij deden veel aan penalties, die we pienanties noemden. Mama stond graag in het doel. Ze was buitengewoon bedreven in het stoppen van lage ballen, die ze opving op haar onderbenen. Ik heb later nooit een keeper gezien die dat kon zoals zij.

In de eerste fase van haar dementie babbelden we. Beetje bij beetje verdween dat als mogelijkheid. We gingen over op samen zingen. Het groene dal was onze favoriet. Alleen het eerste couplet van de drie. De tekst van de twee anderen waren we allebei vergeten. Gaf niet; herhaling van het bekende verschafte ons genoeg gedeelde satisfactie.

Er kwam uiteindelijk een fase waarin het produceren van tekst en zelfs de melodie haar te zwaar viel. We hebben ons repertoire ten slotte moeten beperken tot één lied, het aloude Piet Hein, Piet Hein, van wie de de naam klein is maar de daden groot zijn. Schier eindeloze herhaling. Gedeelde uitbundigheid.

Ons gezang inspireerde dikwijls een belendende dame in het verpleegtehuis. Die was eigenlijk een kreng. Ze pestte voortdurend anderen door ze kattig toe te spreken. Hield daar mee op wanneer ze ons hoorde zingen. Bracht dan op haar beurt het lied ten gehore over de Westertoren. 'Aan de voet van die oude Wester heb ik vaak in gedachten gestaan.' Wanneer ik het schrijf hoor ik ook hààr stem nog.

De afbeelding toont 't groene dal. Zo'n dal in de bergen duid ik wel eens aan als 'm'n karmische landschap'. Vraag niet waarom.