Skip to Content

De iden van maart

De iden van maart

Wanneer Caesar over het plein loopt, loopt een troep mensen hem achterna. Onder hen een waarzegger. Die roept hem toe: 'Beware the ides of march'. In het Engels, want ik citeer Shakespeare, uit zijn toneelstuk 'Julius Caesar'. Kijk uit voor de iden van maart.

Caesar vraagt aan zijn vriend Brutus, die aan zijn zijde voortschreidt, wat dat voor een man is. Zegt Brutus: 'Een waarzegger, die zegt dat je moet oppassen op 15 maart. Caesar laat zich aan die waarschuwing niets gelegen liggen.

Ten onrechte. Hij zal op die dag worden vermoord, met vele messteken, door Romeinse samenzweerders die hem zijn militaire en politeke succes niet gunnen. Onder die moordenaars zal zich ook Brutus bevinden.

Wanneer Brutus hem de doodssteek geeft zal Caesar in het latijn uitroepen 'Et tu, Brute?' Ook gij, Brutus? En hij zal zijn wanhopige teleurstelling uiten met de woorden, volgens Shakespeare, 'Then fall Caesar.' Caesar aanvaardt zijn sterven, na dit verraad.

Aan die fatale vijftiende maart hebben we nog gedacht toen we de datum kozen voor onze traditionele vriendenlunch in Apeldoorn. Er was geen verraad bij. Integendeel, alleen maar rimpelloze vreugde om elkaar volgens traditie weer te treffen, bij te praten tijens een goede maaltijd.

Beleefde ik dan niets bijzonders op die dag halverwege maart? Een ietsepietsie toch.

Teruggekeerd in Amsterdam viel mijn oog bij de tramhalte voor het Centraal Station op een dame met een hoogstcurieuze variant van de memory stick tussen haar hoofddeksel en haar rechter oor. Ze sprak me aan. Welke tram moest ze nemen voor de Rozengracht, bij de brandweerkazerne?

Dat was precies de halte waarheen ik mij begaf met lijn 17. De voorzienigheid had het zo geregeld dat ik haar begeleidde en de gelegenheid kreeg om haar vragen te stellen. Ze bleek te werken in Hoofddorp voor een firma die een soort hulpstukken bij een mobiele telefoon fabriceerde. Het intrigerende voorwerp bij haar oor was er zoéén.

Ze was van oorsprong een Deense. Ze had het helblonde haar, de transparant blauwe ogen en de uitstraling van boven zee zeilende meeuwen die bij haar Scandinavische onbevangenheid horen. Ze ging met andere Deense dames, bevriende expats, eten in een restaurant dat Moeders heet. De brandweerkazerne was slechts een door de vriendinnen aangegeven landmark.

Wat had haar naar Nederland gebracht? De liefde uiteraard, zoals wel meer de verklaring is voor langdurig verblijf van dames in Nederland. Dertien jaar geleden was ze hier gearriveerd met een landgenoot. Na luttele maanden had hij gezegd 'Ik ga even boodschappen doen', Een keerde niet weer. 'Klassiek hè' zei ze nog.

Daarna was het wel moeilijk voor haar geweest. Buitenlandse. Alleen. De Nederlanders hadden zich tegenover haar niet van hun beste zijde leren kennen. Integendeel.

We stapten uit. Ik vergezelde haar nog naar het restaurant en wuifde na ons afscheid buiten, ook nog even naar de wachtende vriendinnen binnen achter het raam. Zo. Die zouden een extra gespreksonderwerp hebben.

Ieder zijn vijftiende maart. Mij was bewust gemaakt dat overal ter wereld mensen te vinden zijn die, ook al trekken ze letterlijk de messen niet, slecht gedrag vertonen. Ook goede, gelukkig. Dat had ik immers in Apeldoorn ervaren.