In de metro

Parijs. In het metrostation, op het perron. Hij staat op het punt te vertrekken, mijn metro. Ik kom aansnellen. Hij laat zijn hoge toon al horen. Die toon komt in de plaats van het 'Zurückbleiben' in de U-Bahn van Berlijn. De deuren kunnen elk ogenblik dichtschuiven met hun harde klap van onherroepelijkheid.
Ik spurt. Ik wil het er nog wel eens een keertje op wagen.
Het lukt. Ik kom binnen, nèt.
Het is niet al te druk binnen. Medepassagiers staan er bij met de gebruikelijke glazen blikken. Slechts één jongeheer, geleund tegen de deur tegenover de ingang, richt zijn blik op mij en schudt het hoofd. Ik zie hem denken 'die ouwe geeft een slecht voorbeeld.'
Ik draai hem de rug toe.
Op de volgende halte komt een zitplaats vrij. Ik ga er zitten. Ik kan nu ongestoord een blik werpen op de man die zonder woorden blijk gaf van zijn mismoedigheid over mijn gedrag.
Hij kijkt recht voor zich uit, in het onbestemde. Hij schudt nog steeds zijn hoofd. Ik begrijp dat ik mijn interpretatie moet bijstellen. Ik had te doen met een pathologische hoofdschudder. Je hebt ze immers, mensen die alsmaar hoofdschudden. Geen stilzwijgend signaal werd mijn deel, ik had met en symptoom te doen. Als geoefend semioticus wil ik dat onderscheid goed in de gaten houden.
Ik zit er een beetje beschaamd bij over mijn misinterpretatie, zonder dat iemand het merkt. Gode zij dank. Onze gedachten blijven onbekend aan anderen, net als onze gevoelens, onze geheime aanvechtingen, onze heimelijke voornemens.
Ik vergeet de jongeman. Dat kan gemakkelijk in de metro, zoiets. Er is een ononderbroken aanbod van menselijke verschijningsvormen. Maar daar trekt hij toch weer mijn aandacht; hij wurmt zich een weg naar de uitgangsdeur, wanneer de metro stopt. Ik heb alle gelegenheid om hem nog eens goed op te nemen. En profil ditmaal.
Ik zie nu wat me nog niet eerder was opgevallen. Hij heeft een dopje in zijn oor. Die dop is met een draad verbonden met een plat voorwerp op zijn borst. Hij houdt dat vast alsof het het het dierbaarste is dat hij bezit. Nog steeds schudt hij op stompzinnige wijze het hoofd. Ik weet nu waarom. Hij schudt alsmaar zijn hoofd op het ritme van de muziek waar hij naar luistert. Ik merk nu pas op hoe zijn lippen zich nauw merkbaar bewegen. Hij zingt zachtkens mee.
Dan verdwijnt hij in de menigte op het perron.
