Skip to Content

In de trein

In de trein

In Alkmaar stap ik op de trein. Ik spreek in de coupé met Pirith. Zij is zes. Ze gaat naar Artis. Het leukste daar is de uil. Wel jammer is dat de uil de ogen vaak sluit. Haar beste vriend heet Aart. Ik blijk ook zo te heten. Dus kent ze nu vier Aarten. Die vriend, nog een andere vriend, meneer Aart van Sesam Straat en mij.

Pirith heeft een kleurig rugzakje met Pacohontas erop, twee zakjes chips erin en nog een doosje met Engelse drop. Ook haar brilletje is kleurig. In haar blonde haar steekt een grote rode bloem van plastic. Kleuriger dan dit alles nog is Marlene. Marlene is de moeder van Pirith. Ze heeft stralende ogen, een niet wijkende glimlach, een roze frutselbloem in het haar. Om haar lijf: alle denkbare pasteltinten. Waar vader is? Thuis. Met broer. Die gaan een puzzeltocht maken.

Naast Marlene zit moeder Marijke. Blond, solide. Op schoot haar zoon Daan, die eerst erg stil is maar bij het binnenrijden van Amsterdam ineens in een explosie van geestdrift uitbarst. Hij ziet alsmaar dubbeldekkers. Bij elke tweeverdiepingtrein roept hij: 'Een dubbeldekker! Een dubbeldekker!'

Pirith biedt Daan een Engels dropje aan. Hij slaat het af. Marijke zegt luid, voor algemeen hoorgebruik: 'Een Hollandse jongen die geen drop lust...' Ik besef het weer: voor je het weet ben je een zonderling.

Naast mij zit een Amerikaan met wie Pirith ook wel contact wil leggen. De Amerikaan verontschuldigt zich in het Engels dat hij geen Nederlands spreekt. Terecht, vind ik. Het geeft geen pas van Heiloo naar Amsterdam te rijden en de Taal der Mensen niet te spreken.

Waar ik heen ging, vraagt Pirith.
'Naar Utrecht.'
Dat valt moeilijk. Verder dan Amsterdam, leg ik uit. Waar de hoogste toren van Nederland staat.
'Ik ga kijken of hij er nog staat.'
Of ik met deze trein ook weer terug ging.
'Ja.'
'Slapend?'
'Nee.'

Pirith laat me weten dat ze wel eens in een slaaptrein heeft gereisd. Twee dingen waren griezelig: je kon uit je bed vallen, en Mama ging even weg. En het touw was gebroken. Het touw? Ja, het touw dat langs het bedje was gespannen. Dat ze niet zou vallen. De trein had ook nog even gevlogen. Gelukkig schudt Marlene, achter Piriths rug, het hoofd: ik hoef dat niet letterlijk op te vatten. Ik vraag door.
'Hoog?'
'Nee. Niet hoog. Even maar.'
Mijn blik laat zien dat ik het een geweldig verhaal vind. Maar een brildragend meisje, iets verderop, kijkt me strak aan. Haar mond staat streng. Ze is erg bleek. Achttien, schat ik.

Wat ze doet? Ze velt een oordeel, ben ik bang. Ze proeft mijn nieren. Andermans nieren proeven is een populaire bezigheid onder de mensen. Het strakke mondje ziende, denk ik: ze beginnen er al jong mee. Ik wend mijn adorerende blik weer naar Pirith en bedenk: niet te jong, gelukkig.