Skip to Content

Jean Guéhenno

Jean Guéhenno

Een halve eeuw geleden las ik een boek van Jean Guéhenno, Journal d'un homme de quarante ans. Een flard woorden uit dat boek is me sindsdien bijgebleven; 'ce bel univers qu'il nous est donné de traverser'.

Het zal me niet lukken om te verklaren waarom juist die woorden aan mijn geheugen zijn blijven plakken terwijl de rest van de tekst daaruit verdwenen is. Het zal te maken hebben met het gevoel van dankbaarheid en positieve levensinstelling dat in deze woorden weerklinkt. Ik herken dat levensgevoel in mezelf.

Pas de laatste tijd is de behoefte sterk bij me geworden om dat boek weer eens op te nemen. Ik bezit het niet en het is moeilijk te pakken te krijgen. Ik was als iemand die ineens trek krijgt in zeeëgels, maar die niet op de markt vindt. Gelukkig vond ik kortgeleden een ander boek van Guéhenno, getiteld Changer la vie.

In dat boek beschrijft Guéhenno zijn jongelingsjaren, doorgebracht in een arbeidersgezin in Bretagne. Vader was schoenmaker, moeder werkte op de schoenfabriek en hijzelf moest op zijn veertiende van school om ook op een fabriek te gaan werken. Maar hij hield van lezen en van studeren. Hij vertelt met gepaste bescheidenheid hoe hij zich aan de arbeidersstatus heeft ontworsteld. Zijn drijfveer was de liefde voor de letteren. Dat daarbij ook intelligentie, ijver en discipline nodig was, kan de lezer zelf invullen. Door zelfstudie slaagt hij er in zijn baccalauréat te behalen en toegang te krijgen tot de Ecole Normale, waar hij agrégé zal worden.

Twee dingen moet een literair boek bij de lezer in ieder geval teweegbrengen, èn in het brein èn in het hart: herkenning en ontdekking. In die jeugdherinneringen van Guéhenno heb ik nogal wat feitelijkheden en gevoelens herkend die horen bij het beginnende leven van een kind uit een eenvoudig milieu dat daar langzaam los van raakt door intellectuele ontwikkeling, door sociale opklimming. Tegelijk kwam ik te weten dat die losmaking één generatie tevoren toch ook anders verliep, omdat de wereld er toen, zo rond 1900, toch wel heel anders uitzag.

Hoe anders? Eenvoudiger, overzichtelijker. Het was een wereld van vóór de massaliteit en vóór de toedekking van klassetegenstellingen onder een verbale sprei. Het was de tijd toen in West-Europa het hart van het volk nog niet vet was geworden.

De kleine Guéhenno zag thuis zijn vader en de mannen van zijn sociale klasse bijeenkomen om te praten over hun loon, hun arbeidsomstandigheden en over de hardheid van de baas. En de jongen beleefde hoe zijn moeder niet één seconde van haar leven zonder zorgen was om het geld voor dagelijks brood. Buiten de deur, op de fabriek, maakte hij mee dat je als arbeider boetes opliep, inhoudingen op je loon, wanneer je te vaak naar het toilet ging. De bazen toonden hun rijkdom in protserige herenhuizen, waar ze er lakeien op na hielden, en op straat, wanneer ze in koetsen met groot gevolg aan drijvers er op uit trokken om te gaan jagen. De armen voelden haat voor de rijken. En de rijken haatten de armen om hun aanspraken, hun pogingen tot emancipatie.

On peut douter que les rapports entre des hommes aient souvent été plus ignobles que ceux des patrons de ce temps-là et de leurs ouvriers. Le seul souci de de l'argent réglait toute la vie, et aussi bien de ceux qui n'en avaient pas que de ceux qui en avaien.

Zou de relatie tussen mensen wel ooit zo treurigmakend laagbijdegronds zijn geweest als tussen de bazen van die tijd en hun arbeiders? Alles in hun leven draaide om geld, zowel bij degenen die geen geld hadden als bij degenen die het wèl hadden. Het haalde ze omlaag, allemaal. Het was een overgangstijdperk: de economie van de schaarste was voorbij en de economie van de overvloed was nog niet aangebroken. Vroeger, in de tijd van de handwerkslieden, had je werkplaatsen gehad met familieleden en een patriarchale leiding, dat was afgelopen. Maar de tijd was nog niet gekomen van de moderne fabrieken, waar anonimiteit heerst en de dingen administratief geregeld zijn. Het was een tijdperk van parvenu's.

Het is de kracht van dit boek dat de schrijver zijn lezers met zulke notities scherpe inzichten verschaft. Misschien niet eens doordat hij met iets geheel nieuws of onverwachts op de proppen komt, maar wel door verbanden te tonen. Bijvoorbeeld tussen enerzijds wat er op maatschappelijk gebied gebeurt en anderzijds het persoonlijke leven van de mensen. Guéhenno beschrijft het leven tijdens zijn jeugd, met zijn familie, vooral met zijn vader en moeder, op een manier die Nederlandse lezers doen denken aan Herman Heijermans of Theo Thijssen.

Guéhenno spreekt om te beginnen een soort dankwoord uit aan de mensen die hem gevormd hebben, speciaal zijn ouders. Hij karakteriseert ze zeer origineel, volgens criteria die impliciet tonen wat hijzelf belangrijk vindt. Het eerbewijs aan zijn vader luidt als volgt:
Mon père,
qui savait si bien espérer,
qui n'avait pas le sens du mal,
qui ne le voyait nulle part et ne se défiait jamais,
qui regardait les choses et les êtres avec plaisir,
qui entrait gentiment dans la pensée des autres et leur révélait leurs richesses,
qui était né libre et ne pouvait imaginer qu'on ne le fût pas comme lui,
qui jamais ne fit honte à personne,
qui traitait chacun selon son honneur,
Mijn vader,
die de gave had om altijd hoop te koesteren,
die van geen kwaad wist,
die het kwaad nergens ontwaarde en dus nooit achterdochtig was,
die met plezier keek naar de dingen en de mensen,
die liefderijk meedacht met hen die hem hun ideeën ontvouwden en die hun liet zien wat ze allemaal aan rijkdom in zichzelf konden vinden,
die vrij was geboren en zich niet kon voorstellen dat anderen dat niet waren,
die nooit iemand beschaamd maakte,
die iedereen in zijn waarde liet,
die met veel genoegen het woord voerde,
die instinctmatig hield van welsprekendheid, voor hem het middel bij uitstek om tot een voorname uitwisseling te komen, die met alles wat hij zei alleen dit wilde bereiken: mensen verzoenen en de wereld weer op orde brengen.

Over zijn moeder schrijft hij dit:
Ma mère,
chrétienne et résignée,
qui trouvait juste qu'on pleurât dans la vallée des larmes,
qui savait souffrir,
qui savait la fatalité,
qui avait toujours un peu peur, comme quelqu'un qu'on a trop battu, <
qui semblait toujours en fuite devant la malchance et cependant toujours à la recherche des misères,
qui n'était que crainte et pitié
et dont le visage ne se détendait que pour consoler la douleur.
Mijn moeder,
die gelovig was en vrij van elke opstandigheid,
die het juist vond dat er gehuild werd in dit tranendal,
die wist wat lijden was,
die wist dat er geen ontkomen was aan je lot,
die altijd een beetje bang voor iets was, als iemand die te veel geslagen is,
die er altijd op uit leek om te voorkomen dat de dingen zouden mis gaan, terwijl ze dat juist leek op te zoeken,
die wel opgebouwd leek uit vrees en medelijden,
en van wie het gezicht alleen liet ontspannen als ze iemand net smart troosten moest.

De sociale strijdmakkers, zeg maar gerust geloofsgenoten, van vader Guéhenno hebben dat aandoenlijk naïeve idealisme van de vakbondsleden van het eerste uur. Ze vormden een van de laatste compagnonnages in Frankrijk, een syndicale organisatievorm die, geloof ik, nog de geur had van de oude gilden. De leden van dat verbond droegen in het geheim de namen van deugden of begrippen die het meest bij ze pasten, Vrijheid, Openhartigheid, Moed, Eerlijkheid, Hoop, Vriendschap, Loyaliteit.

Et ils étaient les plus religieux des hommes. Ils croyaient. Toute la gent marmottante, chuchotante, et qui toujours ronge de ses lèvres minces les choses de la terre et du ciel, murmurait qu'ils avaient ni Dieu ni maître, et, par comble, il leur arrvcait à eux-mêmes de s'en vanter. Mais c'étaient eux qui croyaient, tandis que presque tout ce qui dans la petite ville faisait profession de croire ne savait même plus ce que c'est que de croire et disait des patenôtres seulement par habitude. Ils croyaient, comme je le crains, on ne croit plus. Leur foi s'est un peu salie dans la mêlée des partis. Des démagogues l'ont embourgeoisée quelquefois. (...) Mais il y avait cette lumière en eux.

Zij waren religieuzer dan wie dan ook. Zij hadden een geloof. Het mummelende, lispelende volkje, dat met dunne mondjes knaagt aan aardse en hemelse zaken, klaagde dat ze God nog gebod erkenden, dat ze 'ni Dieu ni maître' wilden accepteren. En soms zeiden ze het zelf ook en klopten zich erover op de borst. Maar juist zij waren de gelovigen en niet bijna al die andere figuren in ons stadje, die verklaarden dat ze gelovig waren en die niet eens meer wisten wat dat was, een geloof hebben. Die het Onze Vader alleen nog uit gewoonte opdreunden. Ja, ze hadden een geloof, die kameraden van mijn vader. Ze geloofden, zoals, ben ik bang, vandaag de dag niemand meer in iets gelooft.

Hun geloof is later wel een beetje vervuild geraakt in het partij-gewoel. Demagogen hebben er soms iets burgerlijks van gemaakt.(...) Maar er straalde bij hun van binnen dat licht.

Gide heeft de provocerende woorden uitgesproken C'est avec les bons sentiments qu'on fait de la mauvaise littérature. Met mooie gevoelens maak je slechte literatuur. Een echte positivo, zoals ikzelf, zal dit graag vertalen als 'Het is niet voldoende om mooie gevoelens te hebben, als je iets goeds wilt schrijven'. Het bewijs voor die stelling wordt geleverd door alle braverikken die met hun schrijfsels nadrukkelijk opkomen voor een goede zaak.
Maar het is ook mogelijk om Gide's adagium kun je ook zo uitleggen: 'Stop mooie gevoelens in je tekst en je kunt er zeker van zijn dat je slechte literatuur levert.' Wat dan weer tot de conclusie voert: 'Kom met slechtigheid.'
Dat literatuur het kwaad een stem moet geven is door Bataille aanbevolen en na het verdwijnen van geëngageerden als Beauvoir, Sartre, Camus tot drijfveer geworden voor bad boys die zich inspireerden op auteurs van het type Genet.

Guéhenno laat zien dat er geëngageerd geschreven kan worden, met liefde voor wereldverbeteraars zonder exaltatie, zonder het zicht op de werkelijkheid te verliezen.

De kracht van Guéhenno zit hem erin dat hij zijn sociaal-historische evocaties en zijn bespiegelingen verweeft met zijn persoonlijke ervaringen. Hij was een van die grote getuigen van zijn tijd, die om zich heen heeft gekeken naar het maatschappelijk gebeuren, die heeft nagedacht, die goed heeft geschreven. En, vooral, die heeft geparticipeerd, bijvoorbeeld als strijdmakker van de mensen van het Front Populaire. Hij is goed vergelijkbaar met die andere grote getuigen van zijn tijd, Gide, Malraux. Waarom Guéhenno dan niet de faam heeft gekregen als deze twee? Schreef hij slechter? Volstrekt niet. Alleen, hij is niet in een vliegtuig boven Spanje een bom gaan neerwerpen op de fascisten van Franco. En hij levert geen opzienbarende details over zijn sexuele leven. Niets spectaculairs dus. Hij was braaf en rechtschapen.

En vooral: uiterst bescheiden. Aan het slot van zijn Changer la vie werpt hij een terugblik de jongeman die hij vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was, een idealist die grote plannen had om over de grote wereldproblemen te schrijven.

J'ignorais ce que l'on n'apprend que par mille essais, la modestie, et qu'une oeuvre d'art, qu'un témoignage valable d'homme n'est que la récompense d'une longue attention à une chose qu'il est difficile d'isoler à l'intérieur de ce Tout qui vous oppresse, qu'il faut se résigner au détail, au peu qu'on sait vraiment, qu'il faut avoir beaucoup vécu et avoir vu beaucoup mourir pour savoir qu'un seul visage humain peut être le miroir et le résumé de la création.

Ik wist toen nog niet wat bescheidenheid is. Dat leer je pas na vele misgrepen. Je leert later dat een kunstwerk, een aanvaardbare menselijke getuigenis, pas tot stand komt door langdurige aandacht voor een bepaald ding, dat je met moeite isoleert temidden van dat Grote Alles, waar je mee worstelt. Pas later begrijp je dat je veel geleefd moet hebben en ook veel moet hebben zien sterven om in te zien dat één enkel mensengezicht de afspiegeling en weergave kan zijn van de gehele schepping.

Ernstig, te ernstig? Misschien, maar ook 'menschlich, allzu menschlich', herkenbaar als van een begrijpende en begrepen broer. Guéhenno voldoet aan de kwalificatie die Pascal heeft uitgesproken: je denkt een schrijver te gaan lezen, je ontmoet een mens.

Na het behalen van zijn 'agrégation' kon de volksjongen Guéhenno aan een onderwijscarrière beginnen; vele jaren was hij leraar en hij eindigde als hoge ambtenaar van het Ministerie van Onderwijs. Daarnaast werd hij literair criticus, schreef boeken en verwierf zich een plaats in de Académie Française. Mauriac, die weinig op had met die plechtstatige institutie, heeft uitgesproken wat ikzelf ook denk: je kunt over die verzameling van 'onsterfelijken' denken wat je wilt, in het geval van Guéhenno kun je vrede hebben met het prestige van de dames en heren die onder de Coupole vergaderen en waken over de Franse taal: ze hebben als erkenningsinstantie gediend. Voor de letterkundige en voor de mens Guéhenno.
In beide kwaliteiten verdient hij het om gekend te worden. Wandelend door het domein van de wereldliteratuur, komt men niet dikwijls tot deze conclusie.