kazematten
Een auto heb ik wel niet, zodat ik het gevoel mag hebben dat mijn bijdrage aan de luchtvervuiling gering is. Maar om te voorkomen dat ik me daarover parmantig op de borst zou trommelen, rijd ik graag onbeschaamd mee in een vriendenauto om mij van hot naar haar te laten vervoeren.
Gisteren was hot Leerdam en haar Culemborg. Je rijdt dan op een bepaald moment op de Diefdijk, een nomen zonder aanwijzbaar omen, maar wel de grens tussen de provincies Zuid-Holland en Gelderland.
Ik keek links, ik keek rechts. Maar kon niet besluiten welke provincie de schoonheidsprijs krijgt. Het bleef gelijkspel, maar niet 0-0, zoals PSV tegen Liverpool presteerde, 's avonds. Meer ∞-∞, als iemand begrijpt wat ik bedoel. Schoonheid, waar ik ook keek. Wat een geluk om geboren te zijn in een land dat zulks in de aanbieding heeft.
Het rustgevende groen van onze nationale prairies, met koeien, paarden, schaapjes en een enkele nog net niet uitgeroeide weidevogel. Een olijke groep berken naast het asfalt. Coulissen van peppels, opdoemend blauw van een meertje dat zich wiel noemen mag. En onder het fijn uitgestrooide ècht Nederlandse septemberlicht hier en daar het beton van eenzame kazematten. Zelfs die nam ik mee in mijn welbehagen.
Wat de natuur biedt is mooi. Wat de mens daar tussendoor plant is overwegend lelijk. Maar het was om de vijand tegen te houden. Of althans: te vertragen in zijn opmars, ik verzin het niet. Als je aan het denkwerk daarachter denkt, welt er een hinniklach in je op. Kan het achterlijker bedacht?
In mijn goede stemming denk ik dan: och, gelukkig het land waar de militaire vindingrijkheid niet verder reikte dan het in de natuur uitstrooien van deze futiele fortjes die nergens goed voor waren.
Ze staan erbij als monumentjes van onnozelheid in de liefderijke pracht van de natuur. Ze wegwerken is niet mogelijk. Ze nodigen uit tot het wu wei van de ware taoïst: niet doen. Laat ze staan, als postmoderne onzin, die ons een glimlach bezorgen kan.
