Skip to Content

Kees Ouwens, het ambacht van de poëzie

Kees Ouwens, het ambacht van de poëzie

Kees Ouwens en het ambacht van de poëzie

Kees Ouwens is op 27 juni 1944 in Zeist geboren. In 1968 verscheen zijn eerste dichtbundel, Arcadia. Sindsdien zijn er van hem met regelmatige tussenpozen bundels gepubliceerd: Intieme handelingen, Als een berk, Klem, Droom, Afdankingen, Van de verliezer & de lichtbron, Mythologieën, Lenteleven - een beurtzang, Etgroen. Al deze gedichten staan in een pas bij Meulenhoff verschenen verzamelbundel; van Etgroen alleen die welke toen de bundel werd samengesteld al waren gepubliceerd in literaire tijdschriften. Om aan te geven dat het nog niet om Oeuvres complètes gaat, maar dat er nog meer kan komen, heet de bundel Alle gedichten tot dusver. Lezers van later zullen overigens moeite hebben om te weten waar dat 'tot dusver' op slaat, want de uitgever heeft nagelaten om het jaar van verschijnen, 2002, te vermelden. Alleen speurwerk in het boek kan die latere lezers op het goede spoor brengen.

portret van Kees OuwensKees Ouwens schreef ook proza, maar zijn plaats in de hedendaagse Nederlandse literatuur, is temidden van de dichters. Hij heeft zich daar een bijzondere plaats veroverd. Erkenning is zijn deel. In 1976 ontving hij al de Van der Hoogprijs. Recentelijk is hem de Huygensprijs toegekend. In het juryrapport wordt gesteld dat Ouwens 'een van onze intrigerendste dichters is, schepper van een volstrekt persoonlijk, eigenzinnig, mystiek oeuvre, verkenner van het onbereikbare.'

Wie Ouwens leest bevestigt dit oordeel, maar zal bij de opsomming van de kwalificaties toch iets missen. Om een goed dichter te zijn is het immers niet voldoende om intrigerend, persoonlijk, eigenzinnig of mystiek aangelegd te zijn. Poëzie is een ambacht, een van de laatste die in de geïndustrialiseerde wereld nog beoefend wordt. Denk aan de Franse dichter Paul Valéry. Een bewonderaarster verklaarde tegenover hem: 'Meneer Valéry, ik zou eigenlijk ook poëzie moeten maken. Ik zit stikvol gevoelens.' Waarop de dichter antwoordde: 'Madame, gedichten maak je met woorden, niet met gevoelens.' De waarde van een gedicht wordt, zeker door dichters zelf, voor een belangrijk deel op zijn woordwaarde beoordeeld. Dat is: op zijn ambachtelijkheid.

Kees Ouwens is een typisch voorbeeld van een poet's poet. Alleen wie zelf dichter is of wie een toegewijde omgang heeft met poëzie kan inzien en aanvoelen dat zijn gedichten van een bijzonder gehalte zijn en dat het de moeite waard is om hun betekenis op je te laten inwerken en ook om er naar te speuren hoe het indringende effect van zijn woorden tot stand komt. Critici, literatuur-professionals bij uitstek, beschouwen Ouwens samen met Faverey, als een topper in de hedendaagse Nederlandstalige poëzie.

Unaniem is het oordeel niet. Komrij heeft zich schamper over Ouwens uitgelaten. In een recensie in Vrij Nederland heeft ook Rob Schouten reserves getoond, die vooral betrekking hebben op de betekenislaag in de gedichten, speciaal in het meer recente werk. Schouten gebruikt het woord cryptogrammen.

De verzamelbundel laat heel duidelijk zien dat Ouwens niet altijd 'onbegrijpelijk', 'hermetisch', is geweest. Het allereerste gedicht dat staat afgedrukt begint als volgt.
Mijn moeder is een goede vrouw,
zij houdt veel van mij.
Ik mag haar niet beledigen.

Daar is niets onbegrijpelijks aan. Dit is parlando-poëzie met een flinke vleug camp à la Reve. Onder camp versta ik de verontrustende semantische cocktail die ontstaat wanneer ironie zich vermengt met onderliggende ernst. Camp doet je zeggen: het is kitsch, maar ik neem het toch serieus, zonder minachting. Camp werpt de vraag op: meent hij het nou, ja of nee?

De verzamelbundel maakt het de lezer mogelijk om de artistieke ontwikkeling van Ouwens te zien. We zijn al over de helft van het boek (ruim vijfhonderd bladzijden) wanneer we ditmaal in het gedicht Hou je mond toch een verwijzing vinden naar de vader van de ik-figuur (zeg: de dichter).

Het gedicht begint met drie korte strofen:
Mijn vader en ik hebben elkaar altijd aangekeken over
een wijdste tussenruimte heen

Om de waarheid te zeggen: onze blikken meden elkaar
in dat niemandsland

Geen kamer, geen zaal, geen wereldruim bood plaats
genoeg voor onze gezichtsvelden, als zij zich in elkaar
uitstrekten over een afstand, groter dan de horizon
binnen de perken kon houden

Daarna volgen twee buitengewoon ontroerende, langere middenstrofen met een evocatie van het levenseinde van die verre vader. Daar sluiten dan tot slot twee prachtige, nobele strofen bij aan; de zoon staat naast vaders sterfbed.
Door mijn voorbehoud heen naar hem toegebogen,
riep ik zijn verlorenheid aan met het woord
dat ik mij niet heugde hem gezegd te hebben ooit,
en dat, lettergreep ongelijkluidend herhaald, als een
tweeling uit mijn mond viel, en geheten was: Papa

En zijn gezicht, de ogen gesloten, liet zich de eer betonen
van mijn stem, en nam die aan met een glimlach,
gereed en verzoenlijk als die van een zuigeling, uit zijn
wieg verheven ver voor het omkeren van de rollen,
en lieflijker, neem ik aan, dan deze kon opbrengen toen

De emotie wordt perfect overgedragen. Je moet een uilskuiken zijn om niet te begrijpen wat hier tot uitdrukking wordt gebracht. En je bent een harteloos wezen als dit je niet raakt.

Hoe bereikt Ouwens het? Met woorden, dus. Bijvoorbeeld door het herhaald gebruik van een soort omgekeerde metafoor. In metaforiek wordt normaliter een abstractie vervangen door een concreet beeld. 'Hij zit in de put', 'hij ziet geen uitweg meer' en zelfs 'hij ziet het niet meer zitten', het zijn allemaal metaforen om te zeggen dat iemand wanhopig is. Afgezaagde metaforen, die ons met dwingende hand van het concrete naar het abstracte leiden, langs een platgetreden pad. De ware dichter zoekt en vindt originele metaforen, die sprankelen van nieuwheid. Ouwens doet nog meer: hij schroomt niet om, wanneer hij beschrijft hoe de zoon zich over zijn vader boog, toe te voegen 'door mijn voorbehoud heen'. 'Door heen' doet denken aan het openbreken van een gesloten wand. 'Het voorbehoud' wordt uit het wat juridische register gehaald om de emotionele afkeer weer te geven die de zoon voelt voor vaders onvermogen om zijn afstandelijkheid af te leggen.

Zo wordt een uiterst geraffineerd, nauwelijks te bespeuren, spel gespeeld met de mogelijkheden van metaforiek. Het is taalacrobatiek, die de betekenis niet versluiert maar juist verrijkt. Naast dit inhoudelijk/formele aspect, is er de poëticale aftasting van de potentie van de taal, zoals Mallarméheeft gedaan. In dit opzicht (er zijn ook andere) is er literaire verwantschap tussen Ouwens en Achterberg.

De lezer moet dat taalspel wel mee weten te spelen. Daartoe moet hij de geestelijke souplesse betrachten die elke goede poëzie van ons vraagt. Hij dient grammaticale transgressies te accepteren, ja te waarderen. Hij dient te beseffen dat taal-ontwrichting een moment van poëticiteit indiceert, zoals een retorische figuur dat doet (Erik W.Stieglis schreef ooit een proefschrift onder de mooie en veelbetekenende titel Over distorsie als rhetorisch moment).

Neem een gedicht als Lof der heterosexualiteit. Die titel is natuurlijk een provocatie en confronteert de lezer met een echo van de vroegere camp. Is hij alleen maar ironisch, of meent hij het, helemaal of voor een deel?

In de eerste strofe leest men:
Hemel en aarde heeft zij geschapen
het aanschijn der aarde heeft zij vernieuwd
op haar conto flonkert het universum
geboortig uit haar kop is de god
en in de laatste:
Legt zij het juk aan haar voeten, te gronde
gaat haar lichaam maar haar wezen is voedzaam
geworpen

Zie hoe wij lezers een buitengewoon spannende hersengymnastiek moet verrichten. We dwalen langs verwijzingen naar de bijbel (God die hemel en aarde schiep) en naar de Griekse mythologie (een godin geboren uit het hoofd van de oppergod). We snuiven de geur op van de statenbijbel en het bijbehorend taalregister, volgen de dichter, via een enjambement naar een associatieve woordspeling (van 'het juk aan haar voeten' naar 'te gronde gaat haar lichaam'). Het laatste vers bezorgt ons een verrassing en een ontdekking. De verrassing is dat we denken: dit weerspreekt de eerste regel. De ontdekking is dat we die eerste regel moeten her-interpreteren. In die eerste regel lijkt de dichter er op uit te zijn om te suggereren dat we ons God als een vrouw moeten voorstellen. Tot slot bemerken we dat hij juist de lof van die sterfelijke vrouw zingt, wier glorie het is om leven voort te brengen. Leven dat zij 'werpt' en dat gevoed moet worden om zich te kunnen voortzetten. En als we dat allemaal aannemen, dan proeven we de slimme ironie van de titel: het gedicht lijkt zich te presenteren als een ode aan de heterosexuele geslachtelijke omgang, maar blijkt uiteindelijk een lofzang te zijn op de geslachtelijke procreatie, waarvoor heterosexualiteit uiteraard wèl een voorwaarde is.

Het behoort ook tot Ouwens ambachtelijke meesterschap dat hij zijn verzen dikwijls een sterk ritme geeft, het tonische ritme dat zo typerend is voor de Nederlandstalige poëzie. Maar een dreun kan het bij deze vorm-nomade uiteraard niet worden. Het ritme doet zich nooit al te nadrukkelijk voelen. Het gedicht Detentie (ironische titel; het lijkt juist over bevrijding uit een gevangenschschap te gaan, maar de vraag is of dat niet leidt tot een nieuwe detentie) bevat de regel
Ik herinner mij de dag van mijn uittocht uit huis;

Een vers dat bij eerste beschouwing wel op een Frans alexandrijn lijkt en desondanks is opgebouwd uit twee anapesten gescheiden door twee jamben en nog een anapest (of een dactylus?) tot besluit. Samen met de assonantie van 'uittocht' en 'huis' bepaalt dit de muzikaliteit van de zin. Hier ergens moeten we het geheim van poëticiteit zoeken.

Het is de poëtische ambachtelijkheid van Ouwens die het hem mogelijk maakt om ons te verrassen, steeds even op het verkeerde been te zetten, om ons al voortdansend tussen de woorden de betekenis te laten vinden en ons deelgenoot te maken van zijn eigen zoeken. Zijn zoeken, geloof ik, naar een persoonlijke omgang met de gegevenheden van de condition humaine.

Er is gezegd: Ouwens wordt steeds hermetischer, zijn latere gedichten zijn totaal onbegrijpelijk. Om te verifiëren of het verwijt gerechtvaardigd is sla ik het laatste gedicht op dat in de bundel staat afgedrukt. De beginregels luiden:
ik ben nog niet aan de dood toegevallen
ver nog houdt zich de einder
over het drietal bermen - het midden,
de kanten - strijkt
het rijpe licht, de open pols
van de herfst, de lage zon
einde middag, de goudader ligt bloot, onwerkelijk
groen het gras, wat er te zeggen valt
heeft zich toonbaar gemaakt, voor zichzelf spreekt
wat zich voordoet
en niet anders gezegd kan worden, ik heb mijn ogen
geloofd, ben er niet blind
voor gebleven,

Dit lezend denk ik: een proeve van dichterlijk vakmanschap. Maar onbegrijpelijk?

Gepubliceerd in Opspraak, 20, september 2002