Na Koninginnedag

Het was de dag na Koninginnedag. Heel vroeg in de ochtend. Ik opende de deur en wierp een blik op de mensonterende rommel die buren voor ons huis hadden neergeworpen.
Een vrolijk heer naderde op zijn fiets. Hij stopte vlak voor mij teneinde nog iets uit die rommel te selecteren en het in zijn fors bollende fietstassen te stoppen. Ik vroeg hem waarom hij vrolijk was. Hij had de hele nacht gedanst. Alvorens weer op de pedalen te gaan stelde hij zich voor: Abraham. Uit de Derde Leliedwarsstraat. Een mooi begin van deze dag na the night before.
Daar verscheen schuchter voortgaande de dichter Ricardo Paardenkooper uit Amersfoort. Die was niet vrolijk. Begrijpelijk, want hij was al twee dagen ontheemd in Amsterdam. Tot op de huidige dag had hij nog geen rust gekend.
Gisteravond was hij met een groep vrienden rondgegaan temidden van de menigte. De laagbijdegrondse massa, onder de gesel van hun Vermaak. (Ik citeer Baudelaire in vertaling.)
Hij was achterop geraakt. Dat kwam door zijn zere been, met een pin er in, door een auto-ongeluk. Hij was ze kwijt.
Hij was bleek en bedremmeld, maar durfde wel om een kopje koffie te vragen. Ik maakte koffie. We nuttigden mijn maaksel samen op een bankje dat buren verderop voor hun huis gastvrij hadden neergezet. Er kwam een beetje kleur op zijn wangen. Ik vernam dat hij zijn poëtische manuscripten en gehele andere hebben en houen had achtergelaten ten huize van een broer van een vriend.
Waar? Op een gracht. Welke? Er was daar een Volkswagengarage. Of ik die kende. Nu heb ik zo'n veertig jaar geleden afstand gedaan van de status van automobilist. Dan weet je zoiets niet. Maar ik dacht op de Lauriersgracht zonder erg wel eens een garage gezien te hebben.
We wandelden erheen. Helaas, nee.
Andere gracht? Ja. Op nummer 303. Dat wist hij nog wel. We begaven ons naar de Prinsengracht. Ricardo en ik zagen de zon opkomen boven de daken vóór ons. Nummer 303. Nee, daar was het niet. Keizersgracht? Nee. Herengracht? Nee.
Ricardo bedacht dat het ook wel nummer 103 kon zijn. Zo stapten we voort door ochtendlijk Amsterdam. De grachtengordel lag er doodstil bij. Met mijn mobieltje probeerden we contact te krijgen met de broer van de vriend. Vergeefs. Die sliep ongestoord verder.
Ricardo zag nummer Twaalf op een huis. Die waarneming bracht hem ertoe om me te vertellen over astrologische voorspellingen die het einde der wereld op 2012 fixeerden. Astrologisch voortbordurend kwamen we erachter dat we allebei stieren waren. Hij was van 23 april, ik van 24. Wel was er duidelijk verschil volgens de Chinese astrologie. Hij was van het Jaar van de Draak. Ik van het Paard.
Al voorgaande droeg Ricardo mij een van zijn gedichten voor. Dat deed hij als rapper. Hij had optredens gehad, tot in Nijmegen toe. Soms hadden de mensen tranen in hun ogen gekregen.
Ik verstond vrijwel geen woord van zijn tekst. Dus bleven mijn tranen dit keer binnen. Ik begreep wel dat in het gedicht een esoterische levensvisie tot uitdrukking werd gebracht. Met aanbevelingen om uit te stijgen boven de levensbedervende beperkingen die de wereld ons opdwingt. Het kan zijn dat ik me vergis; het modern communiceren vraagt niet om zorgvuldige articulatie.
