Een lievelingsdier

Wie heeft er een lievelingsdier? Ik weet het van Myrthe van de Velde: het konijn. Van Cédric Meijering: de eend. Van zijn zuster Nina: de rat. Van anderen weet ik het eigenlijk niet zeker. Wellicht hoor ik het nog van deze of gene. Ik geloof dat mijn eigen lievelingsdier toch wel de bidsprinkhaan is.
Het begon al in Montbrison, toen er eentje op het hoofd van Hans van de Velde ging zitten. En dat hoofd pas na een lang verblijf bereid was te verlaten. En onderlaatst, in Kalibukbuk, Noord-Bali, heeft een bidsprinkhaan mijn hart gestolen door me geamuseerd aan te kijken met de blik van iemand die zich verwondert over de verschijningsvorm van een wonderlijk mede-schepsel. Over mij, dus.
Misschien is het niet zo leuk dat het vrouwtje wel eens het mannetje na de paringsdaad opeet, zoals de literatuur over de bidsprinkhanen me leert. Maar dat schijnt te worden gerechtvaardigd door biologische noodzaak. De sprinkhen kan dermate drachtig zijn, dat extra voedsel noodzakelijk is. En, zeggen de deskundigen in hun disculperend discours, het haantje heeft dan immers zijn plicht gedaan!
Ik zeg op mijn beurt: Hm.
Behalve de guitige oogopslag en heeft deze carnivoor als opvallend kenmerk de biddende poten, die geschikt zijn om een prooi genadeloos vast te pakken en niet meer los te laten.
Het aanbiddelijke dier is een aantrekkelijke naam toebedeeld, in alle talen van de wereld.
Manthe religieuse in het Frans.
Pray mantis in het Engels.
Gottesanbeterin in het Duits.
Mantide religiosa in het Italiaans.
Louva-a-deus in het Portugees.
Santateresa in het Spaans.
Bönsyrsa in het Zweeds.
Modliszka zwyczajna in het Pools.
Bogomol in het Russisch.
Dat laatste doet wellicht denken aan een nieuwe alliantie van De Mol. Maar het gaat hier geenszins om een broertje van Endemol. Bog is God en Mol komt van Bidden.
