Skip to Content

Lorca

Lorca

Lorca's schreeuw uit New York

Lorca is geboren in 1898. In Fuentevaqueros, een boerendorpje niet ver van Granada, Andalusië. Die omgeving heeft hem liefde bijgebracht voor de natuur, voor het landleven. Die liefde is terug te vinden in zijn gedichten.

Hij kwam uit een familie van landeigenaren. Hij kreeg de bijbehorende goede opvoeding. Hij had veel talenten. Hij was heel muzikaal en kreeg een gedegen muziekopleiding, piano, gitaar, theorie. Hij is bevriend geweest met de componist Manuel de Falla en de gitarist Andres Segovia. Hij heeft over muziek geschreven en ook zelf gecomponeerd. Hij tekende ook goed; er zijn veel tekeningen van hem bewaard gebleven. Een aantal ervan zijn te zien in het door Davidsfonds (Leuven) in 2001 uitgegeven boek De mooiste gedichten, met teksten en vertalingen van Piet Thomas en Christian de Paepe.

Lorca begon al jong te schrijven. Zijn gedichten en toneelstukken behoren tot het allerbeste uit de wereldliteratuur. Het zijn taalkunstwerken van uitzonderlijk indringende kwaliteit. Degene die zelfs in heel geringe mate vertrouwd is met de Spaanse taal kan zijn meesterschap herkennen.

Madre, llévame a los campos
con la luz de la mañana
a ver abrirse las flores
cuando se mecen las ramas.
Mil flores dicen mil cosas
para mil enamoradas,
y la fuente està contando
lo que el ruiseñor se calla.

In haar in 1999 bij Bert Bakker, Amsterdam, uitgegeven bundeltje Federico García Lorca, Voor duizend verliefden van hart, De mooiste liefdesgedichten, heeft Barber van de Pol dit fragment als volgt vertaald:

Moeder, breng me naar de velden,
in het prille ochtendlicht
zal ik de bloemen zien ontluiken,
als de takken zachtjes wiegen.
Al die bloemen zeggen dingen
voor duizend verliefden van hart
en de bron wil ons verhalen
wat de nachtegaal verzwijgt.

Wonderbaarlijk genoeg blijft dikwijls in Nederlandse vertaling de intrinsieke kracht en hartstochtelijke lading van zijn poëzie voelbaar.

Nederlanders hebben van zijn toneelwerk kennis kunnen nemen in diverse opvoeringen, Bodas de sangre (Bloedbruiloft), Yerma, Doña Rosita la soltera o el leguaje de las flores (Juffrouw Roosje de oude vrijster of de taal van de bloemen), La casa de Bernarda Alba (Het huis van Bernarda Alba). Nog in 2001 heeft Het Nationale Toneel een sterke voorstelling gegeven van het laatstgenoemde stuk, in de regie van Johan Doesburg, met Anne-Wil Blankers in de hoofdrol.

Tekening van Lorca

In Lorca's stukken en gedichten zijn passie, dood en onderdrukte sexualiteit de meest opvallende thema's. Zij manifesteren zich, die thema's, in relatie met de motieven die Lorca aan zijn persoonlijk leven ontleent: de Spaanse natuur en cultuur, Spaanse leefomstandigheden en relationele gewoonten onder Spaanse mannen en vrouwen. De sterke ritmiek van zijn stijl doet denken aan de flamenco. Soms lijkt het, als je Lorca's zinnen laat klinken, of je de felle hakken hoort van de danser, de smartelijke klaagstem van de zanger of de ondersteunende schoonheid van gitaarmuziek.

Nooit de liefde zonder de dood. Maar er zijn natuurlijk accentverschillen. In zijn Hartstochtelijk madrigaal ligt het accent op de liefde, met zijn onverbiddellijke eis tot overgave en gelijktijdig verlangen naar versmelting. De dood is nooit uit het zicht, maar de fiere hartstocht zet de toon.

Ik had zo graag aan je lippen gerust
om uit te doven in de sneeuw
van je tanden.

Ik had zo graag aan je borst gerust
om er bloedend in te vergaan.

Ik was zo graag altijd opnieuw
in je gouden haren weggedroomd

tot je hart een grafkuil werd
van mijn rouwend hart,

tot mijn vlees jouw vlees werd,
mijn voorhoofd het jouwe.

Ik had zo graag dat ik met hart en ziel
je kleine lichaam binnendrong,

dat ik je enige gedachte was,
en je kraakwitte kleed.

Dat je zo hartstochtelijk
op mij verliefd zou zijn
dat je, naar mij op zoek, jezelf verloor
zonder mij ooit te vinden.

Dat je op je dooltocht mijn naam
naar de einder schreeuwde,
en je rivieren naar mij vroeg,
en droef de bitterheden dronk
die mijn hart op de weg
uit liefde voor jou heeft verloren.

En dan zal ik je zwakke en zachte
lichaam binnendringen,
en word ik, vrouw, jezelf
en ben ik voor altijd bij jou,
terwijl jij tevergeefs naar mij zoekt
van oost naar west,
tot uiteindelijk de dood
ons beiden met zijn grauwe vlam verkoolt.

In dit gedicht gaat het vooral om de liefde, om de erotiek, om het verlangen. De dood hoort er onherroepelijk bij, maar heeft een ondergeschikte plaats. De dood neemt de hoofdrol geheel over in Lorca's beroemde Llanto por Ignacio Sánchez Mejías. Dat was een vriend die stierenvechter was geweest, ermee was gestopt en later, in 1934, toch probeerde om de arena weer in te gaan. Hij werd toen door de stier op de horens genomen en stierf. Lorca schreef een lang gedicht om zijn gestorven vriend te eren. Vooral het laatste onderdeel van die klaagzang is buitengewoon mooi, een hoogtepunt in het dichterlijke oeuvre van Lorca. De titel van dit onderdeel is Alma ausente (Afwezige ziel), hetgeen uiteraard de tegenstelling aanduidt met het nog aanwezige lichaam dat door de ziel verlaten is.

Afwezige ziel

De stier kent je niet noch de vijgenboom,
de paarden niet, noch de mieren in je huis.
Het kind kent je niet noch het middaguur
Want je bent dood voor altijd.

De rug van je grafsteen kent je niet,
noch het zwarte satijn waarin je verpulvert.
Je verstomde herinnering kent je niet
want je bent dood voor altijd.

Straks komt de herfst met zijn hoorngeschal,
druiventrossen in nevellicht en bergen dicht bijeen,
maar niemand zal je ogen willen zien
want je bent dood voor altijd.

Want je bent dood voor altijd
zoals alle doden van de Aarde,
zoals alle doden di vergeten zijn
als honden op een vaalt, vergaan.

Geen mens die je kent. Niet een. Maar ik bezing je.
Ik bezing je slanke figuur en je gracie voor later.
De onvolprezen rijpheid van je inzicht.
Je hunker naar de dood en de smaak van zijn mond.
De droefheid in je vreugde en je moed.
Lang duurt het voor geboren wordt, als het gebeurt,
een Andalusiër, zo beroemd en rijk aan avonturen.
Ik eer zijn elegantie met mijn klagend zingen
Een ik gedenk een droeve bries die door olijfhout waait.

Toch moeten we Lorca niet alleen maar beschouwen als een dichter van liefde en dood, van persoonlijke, existentiële tragiek. Hij was politiek geëngageerd, links ondanks zijn afkomst. Maar hij was meer dan eenvoudig politiek links. Hij had een visie op de maatschappij, op wat die zou kunnnen zijn, wat die hier en daar ook was, die we in onze dagen vinden bij mensen die zich zorgen maken over een zekere ontmenselijking van de wereld. Dat komt tot uitdrukking in de gedichten die hij maakte in New York, waar hij, te beginnen in 1929, een jaarlang verbleef. Ze verschenen onder de titel Poeta en Nueva York. Christian De Paepe heeft daarover het volgende geschreven (p.23):

De grootste stad van de wereld, toen in volle expansie, met talrijke wolkenkrabbers in de steigers, maar ook getekend door de economische crash van eind 1929, had een negatieve indruk op hem gemaakt. Zijn gedichten laten bij de lezer een bittere smaak na van van troosteloze eenzaamheid, van brutale ontmenselijking, van aliënatie door techniek, bureaucratie, geld en macht, van verdrukking omwille van kleur, ras of seksuele geaardheid. De Amerikaanse cultuur is nu eens een pletrol, dan weer een monster dat alles uitholt. Ze is een onophoudelijke aanslag op het kind in ieder mens, op de originaliteit, de fantasie en de spontaneïteit. Alleen de negers en de Afro-Antilliaanse bevolkingsgroepen weten, dankzij hun muziek, dans en ritme, aan die culturele moordpartij te ontsnappen. Lorca veroordeelt het moderne Amerika als een cultuur zonder wortels. Vanuit zijn eigen onzekere gemoedsgesteldheid en tegen de achtergrond van een agrarische voedingsbodem, maakt hij als een bijbelse profeet een vlijmscherpe en angstaanjagende diagnose van de moderne wereld. Hij analyseert de feiten met veel retoriek en onthutsende metaforen. Met een bechuldigende vinger wijst hij naar de leiders van staat, kerk en cultuur, en voorspelt de nakende vernieling.

De Paepe heeft gelijk. Degene die in 2002 het gedicht leest dat Grito hacia Roma (Schreeuw naar Rome) heet, met als ondertitel Desde la torre del Chrysler Building (Van boven uit het Chrysler Building), ontkomt niet aan de ontdekking dat hij een profeet hoort die driekwart eeuw geleden voorzag wat de wereld na hem te wachten staat. Die toren is veel te hoog. Hij verscheurt wolken. Er is ook schoonheid; de metaforen laten ons ook de schoonheid voelen. Onthutsende metaforen noemt De Paepe ze. Dat komt doordat Lorca zich, als avant-garde-dichter ook heeft gevoed met de voorbeelden van wat de surrealisten in zijn tijd als artistieke mogelijkheden ontsloten. Onze nachtmerries laten ons immers onthutsende beelden zien. Wat de visionnaire kunstenaar voor ogen staat is onthutsend. En moet de lezer niet onthutst zijn wanneer hem wordt afgeschilderd wanneer hem een verloedering van de wereld wordt voorgeschilderd.

Het gedicht is een brandende waarschuwing, een sidderende aanklacht. Juist de metaforen, soms met meervoudige betekenissen, altijd vastgeklonken aan gruwelijke realiteiten, maken die aanklacht zo indringend. IJzersmeden, die kettingen maken voor de kinderen van morgen, bereiden slavernij voor van allerlei aard. Aan die kinderen wordt nog verteld van een wonderlijk licht dat neerdaalt, maar wat er in werkelijkheid neerdaalt is een vloed van rioolvuil. Terwijl we genoeg zouden hebben aan dagelijks brood, bloemen, tederheid, en dat de wil geschiede van de Aarde, die vruchten genoeg heeft voor iedereen. Wie dit gedicht leest, denkt: we moeten naar de grote dichters luisteren.

Schreeuw naar Rome toe

Van boven uit het Chrysler Building

Appels door scherpe zilveren degens
licht gewond,
wolken verscheurd door een hand van koraal
met een amandel van vuur op de rug,
vissen van vretend arsenicum als haaien,
haaien als vallende tranen, genoeg om een menigte blind te maken,
rozen die kwetsen,
en naalden geprikt in buizen van bloed,
vijandige werelde, liefdes met wormen bedekt
vallen op je neer. Ze vallen neer op de grote koepel
die militaire tongen met olie zalft,
waar een man op een helwitte duif plast
en kolengruis spuwt
omringd door duizenden plechtige klokjes.

Want er is niemand meer om brood of wijn te delen,
niemand om kruiden te kweken in de mond van de dode,
niemand om de lakens van de rust te spreiden,
niemand die om gewonde olifanten treurt.
Wat rest zijn een miljoen ijzersmeden
die kettingen smeden voor de kinderen van morgen.
Wat rest zijn een miljoen timmerlui
die kisten timmeren zonder kruis.
Wat rest is een menigte klagende schimmen
die, wachtend op de kogel, hun kleren wijd openen.
De man die de duif misprijst zou moeten spreken,
naakt tussen de kolommen zou hij moeten schreeuwen,
zichzelf lepra inspuiten
en zo onzettend huilen
dat zijn ringen en zijn diamanten telefoons stukspringen.
Maar de man in het wit
weet niet van het geheim van de korenaar,
weet niet van het gekerm van de vrouw in barensnood,
weet niet dat Christus ook nu nog water aanreiken kan,
weet niet dat zilvergeld het wonder wegbrandt van een kus,
en giet het bloed van het lam in een dwaze fazantenbek.

De meesters tonen de kinderen
een wonderlijk licht dat neerdaalt uit de bergen,
maar wat er neerkomt is een vloed van rioolvuil
waarin de zwarte nimfen schreeuwen van de cholera.
De meesters wijzen zeer devoot naar de enorme bewierookte koepels,
maar onder de beelden ziet men geen liefde,
men ziet geen liefde onder voorgoed gesloten ogen van kristal.
De liefde woont in lichamen van vlees door dorst verscheurd,
in de bescheiden hut die vecht tegen de vloed;
de liefde huist in sloten waar de adders van de honger vechten,
in de trieste zee die meeuwenkrengen wiegt
en in de verstolen prikkende kus onder de kussens.

Maar de grijsaard met de diafane handen
blijft herhalen: liefde, liefde, liefde,
toegejuicht door miljoenen stervenden;
blijft hij herhalen: liefde, liefde, liefde,
in zijn gewaad dat trilt van tederheid;
blijft hij herhalen: vrede, vrede, vrede,
te midden van trillende messen en strengen springstof;
blijft hij herhalen: liefde, liefde, liefde,
tot zijn lippen van zilver zijn.

En intussen, intussen, ach!, intussen,
zullen de negers de spuwbakken ophalen,
de kinderen beven onder de vale terreur van het schoolhoofd,
de vrouwen in aardolie verdrinken;
heel die menigte van hamer, viool of wolk,
schreeuwen zal ze, al slaat men hun hersens stuk op de muur,
schreeuwen zal ze tegen de koepels,
schreeuwen zal ze gek van vuur,
schreeuwen zal ze gek van sneeuw,
schreeuwen zal ze met de kop in de drek,
schreeuwen zal ze zoals alle nachten samen,
schreeuwen zal ze met zo'n schorre stem,
dat de steden trillen als kleine meisjes
en olie en muziek de kerkers openbreken.
Want we willen ons dagelijks brood,
elzebloesems en eeuwig afgesmeekte tederheid,
want we willen dat de wil geschiedt van de Aarde
die elke mens haar vruchten gunt.

Lorca had een intense afkeer van de bourgeoisie, speciaal van de bourgeoisie die hij het beste kende, die van Granada. In een interview noemde hij die 'de ergste die Spanje kende'. Dat was vlak voor 14 juli 1936. Op die dag keerde hij uit Madrid terug naar de stad van zijn jeugd. Federico was toen al een beroemde schrijver. Hij had kort tevoren Het huis van Bernarda Alba beëindigd. Zijn komst naar Granada was op de voorpagina's van lokale kranten vermeld. In de oververhitte sfeer van die stad had Lorca veel vijanden, om wat hij was, om wat hij tot uitdrukking had gebracht.

Tekening van Lorca

In die tijd was Spanje een republiek waarin linkse partijen in een Volksfront regeerden. Maar in Granada had rechts in februari plaatselijke verkiezingen gewonnen. Links vond dat er geknoeid was. Daarom waren er in mei nieuwe verkiezingen gehouden, die een verpletterende overwinning voor links hadden opgeleverd. Dat verbitterde de middenklasse van Granada. Toen op 17 juli de militaire revolte onder leiding van Franco uitbrak, in Marokko, leidde dat ertoe dat in Granada het garnizoen ook in opstand kwam tegen de republikeinse regering. Op 23 juli hadden de militairen de stad in handen. De door Lorca publiekelijk verachte bourgeoisie was overwegend falangistisch, Franco-gezind. De Spaanse burgeroorlog moest eigenlijk nog beginnen toen Lorca zich al bevond op een plaats waar de fascisten de baas waren.

Op 16 augustus werd de man van zijn zuster door fascisten geëxecuteerd. Op diezelfde dag werd ook Lorca gearresteerd. Hij werd naar een militair kamp gebracht in Víznar, acht kilometer buiten Granada. Daar is hij door een vuurpeloton van fascisten doodgeschoten, op de begraafplaats. Men neemt aan dat het gebeurde op 19 augustus 1936; precieze getuigenissen zijn er niet. Lorca was 38 jaar.

Over Lorca heb ik gelezen:

  • een veel te dikke biografie van Ian Gibson, Federico García Lorca, Biografie, in de Nederlandse vertaling van Auke Leistra, Meulenhoff, 1998
  • het boekje Voor duizend verliefde van hart, De mooiste liefdesgedichten, gekozen en vertaald door Barber van de Pol, Bert Bakker, 1999
  • Federico García Lorca, De mooiste gedichten, vertaald door Piet Thomas en Christian de Paepe, met een inleiding van laatstgenoemde, Uitgeverij Davidsfonds, 2001. Het is een prachtige uitgave, met mooie tekeningen van Lorca zelf. De bovengeciteerde vertalingen komen uit dit boek.

Hier volgen de geciteerde gedichten in het Spaans.

Madrigal apasionado

Quisiera estar en tus labios
para apagarme en la nieve
de tus dientes.

Quisiera estar en tu pecho
para en sangre deshacerme.

Quisiera en tu caballera
de oro soñar para siempre,

Que tu corazón se hiciera
tumba del mío doliente,

Que mi carne sea tu carne,
que mi frente sea tu frente.

Quisiera que toda mi alma
entrara en tu cuerpo breve,

Y ser yo tu pensiamento,
y ser yo tu blanca veste.

Para hacer que tu enamores
de mí con pasión tan fuerte
que te consumas buscándome
sin que jamás ya me encuentres.

Para que vayas gritando
mi nombre hacia los ponientes,
preguntando por mí al agua,
bebiendo triste las hieles
que antes dejó en el camino
mi corazón al quererte.

Alma ausente

No te conoce el toro ni la higuera,
ni caballos ni hormigas de tu casa.
ni te conoce el niño ni la tarde
Porque te has muerto para siempre.
No te conoce el lomo de la piedra,
ni el raso negro donde te destrozas.
No te conoce tu recuerdo mudo
porque te has muerto para siempre.

El otoño vendrá con caracolas,
uva de niebla y montes agrupados,
pero nadie querrá mirar tus ojos
Porque te has muerto para siempre.

Porque te has muerto para siempre,
como todos los muertos de la Tierra,
como todos los muertos que se olvidan
en un montón de perros apagados.

No te conoce nadie. No. Pero yo te canto.
Yo canto para luego tu perfil y tu gracia.
La madurez insigne de tu conociemento.
Tu apetencia de muerte y el gusto de su boca.
La tristeza que tuvo tu valiente alegría.

Tardará mucho tiempo en nacer, si es que nace,
un andaluz tan claro, tan rico de aventura.
Yo canto su elegancia con palabras que gimen
Y recuerdo une brisa triste por los olivos.

Grito hacia Roma, Desde la torre del Chrysler Building

Manzana levemente heridas
por finas espadines de plata
nubes rasgadas por una maa mano de coral
que lleva en el dorso una almendra de fuego,
peces de arsénico como tiburones,
tiburones como gotas de llanto para cegar una multitud,
rosas que hieren
y agujas instaladas en los caños de la sangre
mundos enemigos y amores cubiertos de gusanos,
que unta de aceite las lenguas militares;
donde un hombre se orina en una deslumbrante paloma
y escupe carbón machacado
rodeado de miles de campanillas.

Porque ya no hay quien reparta el pan ni el vino,
ni quien cultive hierbas en la boca del muerto,
ni quien abra los linos del reposo,
ni quien llorepor las heridas de los elefantes.
No hay más que un millón de herreros
forjando cadenas para los niños que han de venir.
No hay más que un millón de carpinteros
que hacen ataúdes sin cruz.
No hay más que un gentío de lamentos
que se abren las ropas en espera de la bala.
El hombre que desprecia la paloma debía hablar,
debía gritar desnudo entre las columnas
y ponerse una inyección para adquirir la lepra
y llorar un llanto tan terrible
que disolviera sus anillos y sus teléfonos de diamante.
Pero el hombre vestido de blanco
ignora el misterio de la espiga,
ignora el gemido de la parturienta,
ignora que Cristo puede dar agua todavía,
ignora que la moneda quema el beso de prodigio
y da la sangre del cordero al pico idiota del faisán.

Los maestros enseñan a los niños
una luz maravillosa que viene del monte;
pero lo que llega es une reunión de coloacas
donde gritanlas pscuras ninfas del cólera.
Los maestros señalan con devoción las enormes cúpulas sahumadas,
pero debajo de las estatuas no hay amor
no hay amor bajo los ojos de cristal definitivo.
El amor está en las carnes desgarrades por la sed,
en la choza diminuta que lucha con la unundación;
el amor està en los fosos donde luchan las sierpas del hambre,
en el triste mar que mece los cadáveres de las gaviotas
y en el oscurísimo beso punzante debajp de las almohadas.

Pero el viejo de las manos traslúcidas
dirá: amor, amor, amor,
aclamado por millones de moribundos;
dirá: amor, amor, amor,
entre el tisú estremecido de ternura;
dirá: paz, paz, paz,
entre el tirite de cuchillos y melenas de dinamita;
dirá: amor, amor, amor,
hasta que se pongan de plato los labios.

Mientras tanto, mientras tanto, ¡ay!, mientras tanto,
los negros que sacan las escupideras,
los muchachos que tiemblan bajo el terror pálido de los directores,
las mujeres ahogadas en aceites minerales,
la muchedumbre de martillo, de violin o de nube,
ha de gritar aunque le estrellen los sesos en el muro,
ha de gritar frente a las cúpulas,
ha de gritar loca de fuego,
ha de gritar loca de nieve,
ha de gritar como todas las noches juntas,
ha de gritar con voz tan desgarrada
hasta que las ciudades tiemblen como niñas
y rompan las prisiones del aceite y la música.
Porque queremos el pan nuestro de cada día,
flor de aliso y perenne ternura desgranada,
porque queremos que se cumpla la voluntad de la Tierra
que da sus frutos para todos.