Skip to Content

Marsman - het roer kan nog zesmaal om

Marsman - het roer kan nog zesmaal om

Het roer kan nog zesmaal om. Het staat in Marsmans gedicht 'Brief aan een vriend'. Het heeft te maken met een verjaardag. Die vriend werd vijftig. Behoorlijk oud, in de dagen van Marsman. Nu, in de dagen dat er wordt gekreund over vegrijzing, kunnen we ons dat moeilijk nog voorstellen, lijkt me. Vijftig? Dan kan het roer nog twaalf maal om, dunkt me.

Deze week zal ik, als ik nog even weet vol te houden, tachtig worden. Nooit had ik kunnen denken dat ik het halen zou. Niet dat ik daar veel over heb nagedacht - ik heb altijd z'n beetje voor de mallemoerskont doorgeleefd. Zodat ik me nu voel alsof ik dacht de straat uit te huppelen en ineens merk dat ik per ongeluk een marathon heb uitgelopen.

Dat gevoel valt samen met een plannetje dat ik voor mezelf heb bedacht. Om eens te inventariseren, zonder enige systeem-pretentie, om mijn lievelingsgedichten bijeen te brengen. Ik begon met Marsman, een van mijn favorieten, met Elsschot, onder de Nederlandstaligen.

Ik ga d'r eens een paar op m'n blog zetten dacht ik. En pakte Marsmans 'Brief aan een vriend'. En daar trof ik die regel. 'Het roer kan nog zesmaal om.' Noem het toeval.

Het is een gedachte die me door het hoofd speelt dezer dagen, nu de gedachte aan die 'respectabele leeftijd' bij me opkomt, gezien de aanstaande verjaardag. Iemand heeft die uitdrukking 'respectabele leeftijd' onlangs tegenover me gebruikt, en natuurlijk moet ik er een beetje om grinniken. Vooral omdat ik de troostrijke gedachte dat het roer nog zesmaal om kan niet in mezelf kan uitvlakken, ook al ben ik de vijftig voorbij.

Een groot dichter ben je wanneer je zulke woorden nalaat, als een onuitwisbare kras in een rots.

Ter ere van Marsman volgt hier het gedicht in zijn geheel.

Marsman – Brief aan een vriend

Tracht, na uw vijftigste jaar,
langzaam te leren dat het goed is
als de bladeren vallen;
de sterken worden dan toch nog lang niet gerooid;
zeg tot u-zelf: ‘ik wil pas vallen
onder den winterstorm’.-
mij kan soms nu het verlangen al overvallen
naar onze latere jaren
als ik niet meer gekooid
in dit zwerfziek verlangen
wonen zal in het huis aan de brede rivier.
hoe goed zal het zijn
de dagen te laten verstrijken
met roeien en jagen;
m verweerd en rijzig het land te doorlopen
en te ervaren dat het verhaal van ons leven
den slag van het water gaat krijgen
dat wij rijpen bij wind en weer.
dan slaat ook de loed niet zo licht meer
met snelle en vluchtige slagen naar buiten
in gelach en geween;
maar er zal een stil vuur in ons zijn,
verborgen in merg en been.
zwervend door het oneindige land
zullen wij sterker en rustiger zijn,
opgenomen in in het stromend verband
der seizoenen, dieper verwant
met ruimte en het wisselend weer.
en dan?
dan zitten wij ’s nachts bij het vuur
en ik lees u voor uit een boek,
dat ik dan heb geschreven,
een boek als ‘De Waterman’,
of lacht ge, dat ik dat niet kan?
waarom niet, ik ben immers nog jong.
kent gij de verborgen wegen?
het roer kan nog zesmaal om!

Laat uw humor, uw gloed, uw snelle boosaardige tong
u vooral niet begeven
en bezoek mij, eenmaal,
in het huis van mijn ouderdom.