Voorbeeldige voeten

Als de merel zich niet vroeg genoeg laat horen, doet de meerkoet het wel aan de andere kant van het huis, waar de gracht is. Hij stoot een doordringend 'ping' uit, alsof hij een tik geeft op een te scherp afgestelde triangel. 'Het zijn krengen', zegt Paul Wallenburg, erkend vogelobservator aan de Vecht, over de meerkoeten. Terecht, want ze kunnen behoorlijk venijnig zijn, onder elkaar en met anderen.
Maar er staat het een en ander tegenover. Om te beginnen de wijze waarop hun tenen bezwemvliesd zijn. De vliezen lopen niet van de ene teen naar de andere, zoals bij eenden en zwanen. Nee, de vliezen lopen elegant terzijde van elke teen, zodat de voeten van de koet er tegelijk sterk en gracieus uitzien. Ik kijk er wel eens naar met eenzekere afgunst, denkende: zulke voeten wil ik in een volgend leven ook.
Tegen de meerkoet pleit zijn al te eenvoudig coloriet, zwart en wit, net als de ekster (honderd procent een kreng, die). De kleur-eenvoud van de koet wordt goedgemaakt door zijn jongen, die een tijdlang het voorhoofd rood houden alvorens het later wit te kleuren. Ze zijn eindeloos aandoenlijk, die kleintjes. Straks komen ze uit het ei, op het slonzige maar oerstevige nest dat half achter een boot tegen de wallekant drijft en vertonen hun pluizige kraag en kruin. Ze laten zich geducht voeren door vader en moeder, die zich uit de naad sloven en in die fase ook al hun kreng-talent uit de kast halen om aanzwemmende medeschepselen uit de buurt te snavelen door middel van vinnig alarmgeluid en dreigend gepik. En alsof ze niet in de gaten hebben hoe verwend ze worden, laten de jonkies, kleine opvreters, steeds horen dat ze honger hebben - met schattig piepgeluid en koddige zwemversnellingen, dat wel.
Het treft me dat de meerkoet weinig te vertellen heeft temidden van de gevederde vrienden die aan komen snellen wanneer goedwillende mensen, speciaal nu, in januari, hun oude brood komen werpen in de gracht. De zwanen maken de dienst uit door hun imposante gestalte, de kokmeeuwen hebben hun unverfroren agressie, hun massaal geschreeuw, hun duikvluchten, de ganzen zijn qua aantal en sonoriteit ook niet voor de poes en de eenden hebben de lobbesachtige aanwezigheid van goeddoorvoeden, ook al moeten ze wat onhandig scharrelen tussen de ijsschotsen in de gracht. In dat winterse geheel moeten de meerkoeten het nogal eens afleggen tegen hen die hoger dan zij op de Schaal van Krengigheid staan.
