Maar...
'Maar...'
Eerlijk gezegd word ik er doodziek van. Ik zou de macht willen hebben om het te verbieden, dat 'maar...' waarmee elke interviewer dezer dagen zich verplicht voelt de geïnterviewde pootje te lichten, wanneer die iets beweerd heeft.
Een nuance schuilt in 'Ja, maar...' Het lijkt dan of de interviewer iets toegeeft. Het venijn van het 'maar' komt er meteen achteraan. Het maakt dus weinig verschil. De interviewer onzer dagen stelt geen vragen, lokt geen verklaring uit, hij is een betweter, die de ander wijst op ongerijmdheid.
De interviewer wil geen aangever meer zijn, die vragen stelt opdat de ander, die iets te vertellen heeft, daar mee voor de dag kan komen. Hij stelt zich op als gespreksgenoot. En wat is een gesprek voor deze machtige mediafiguren? Een gelegenheid om de ander eens flink te laten afgaan - de lachers op je hand is het mooiste. Dan scoor je optimaal. Gevolg: alle geïnterviewden zijn als de dood voor ze.
Wanneer ik het zie gebeuren, komt Montesquieu (1689-1754) mij voor de geest, die in zijn pink meer sjoege had dan wordt opgebracht door alle interviewers die ik op het beeldscherm waarneem samen.
Iedereen die een ander belachelijk maakt wil geestig zijn. Geestiger dan dan de ander, die hij uitsliept, stelt Montesquieu. En hij haalt een bekend gezegde aan: Diseurs de bons mots, mauvais caractère. Wie anderen onderuit haalt, heeft een slecht karakter.'Er zijn figuren die alsmaar op vernietiging uit zijn, terwijl anderen opbouwen. Zij gaan niet op de feiten in, maar laten iemand struikelen over bijzaken...'
Wanneer mensen er echt op uit zijn om een gesprek te hebben, dan zou het goed zijn als ze de volgende woorden van Montesquieu in gedachten hielden.
'We moeten niet steeds met elkaar in gevecht gaan. Dan worden gesprekken vervelend, vermoeiend. Je moet proberen samen op weg te gaan. Al loop je dan niet in de pas, niet op één lijn, je blijft toch in dezelfde richting voortgaan.'
Op grond daarvan, moeten die interviewende minkukels leren om af te zien van dat 'Maar...', 'Ja maar...' en ook 'Maarre...', wanneer ze zelfs nog niet weten wat ze zullen gaan tegenwerpen.
Monesquieu was een groot man. Met zijn boek over de Geest van de Wetten (L'Esprit des Lois) heeft hij de basis voor onze democratische staatsvorm, de scheiding van de drie machten, geconstrueerd. Hij had ook nog gevoel voor humor, zoals te lezen valt in zijn Brieven van een Pers (Lettres Persanes), aanbevolen lectuur voor hen die denken aan een oorlog tegen Iran.
