Skip to Content

Ab Visser - een gedicht

Ab Visser - een gedicht

Zo langzamerhand kom ik er achter waaraan een tekst moet voldoen om in mijn ogen gedicht te mogen heten.
Eenvoud.
Schoonheid.
Het moet je hart raken.

Als voorbeeld: een gedicht van Ab Visser.

Bombardement

Ik schuif het rood gordijn terzijde,
maanlicht vloeit door het open raam,
als droppels smelten de verspreide
glanspunten in mijn spiegel saam.

Een vogel waagt een lange triller,
maar zwijgt alsof hij zich bezint.
En in de tuinen lijkt het stiller,
ondanks de aarzelende wind.

Dan zwelt, wat ik straks dacht te horen,
een ijl gegons tot zwaar gebrom.
Een zoeklicht plots, een dunne toren,
gaat kantelend de hemel om.

Maar onverstoorbaar duurt het gonzen,
het breidt zich waaiervormig uit.
Het groeit tot haprend, koortsig bonzen,
dat dreigender de stad omsluit.

Dan drijft het af, een zware regen,
ik houd mijn adem in en wacht...
In 't Oosten flakkren licht vegen.
O God, wie sterft er deze nacht!

------------

En gedicht is geen gedicht als het volslagen onbegrijpelijk is. Wanneer ik dat constateer, concludeer ik dat de schrijver er op uit is geweest om onbegrijpelijk te zijn. Hij is dan geen dichter.

Een gedicht kan moeilijk te interpreteren zijn, dat is iets anders.

Wat kan interpreteren bemoeilijken? Gebrek aan kennis, die veroorzaakt dat bepaalde verwijzingen onbegrijpelijk zijn. In dit gedicht van Ab Visser kijken we eerste wel mee naar buiten, horen we een vogel, maar pas in de derde strofe kunnen we begrijpen waarom de titel 'Bombardement' is. We horen vliegtuigen. We zien de zoeklichten.

Wie in Nederland de Duitse bezetting heeft meegemaakt, herinnert zich het geluid van de overtrekkende Engelse bommenwerpers. Op weg naar het oosten, naar Duitsland, onderweg Nijmegen passerend, waar ook per ongeluk wel eens bommen gevallen zijn.

Er zijn veel slachtoffers gevallen. Burgers, van wie de namen niet in de geschiedenis terecht ekomen zijn. Mensen.
Ze worden poëtisch herdacht.