Heinz Polzer wilde roken

Vandaag las ik in Metro een 'quote' van FNV-voorzitter Agnes Jongerius. Geen taalvooruitgang, dat een citaat heden ten dage zo heet, maar het zij zo. Ze verwees naar een tekst van Heinz Polzer, die we kennen als drs.P.
Wat ze zei? 'Hoe heet dat geweldige lied van drs.P? Trojka hier, trojka daar. We gooien er gewoon elke keer een zwakke broeder uit...'
Het toeval heeft gewild dat ik luttele dagen tevoren even een eindje opliep met de dichter naar wie de vakbondsvoorzitter verwees. Het was op het Singel, in Amsterdam, tussen de Raadhuisstraat en de Gasthuismolensteeg. Een klein eindje, maar voldoende om mij getuige te doen zijn van de waardering die drs.P in ons land geniet.
Hij werd aangesproken door een man die schilderwerk verrichtte aan een pand en zijn werk even had onderbroken voor een pauze. De schilder herkende de passerende kunstenaar en sprak deze respectvol aan. 'Mag ik u een hand geven?' vroeg hij. En verklaarde zijn vraag door zijn bewondering. Het was duidelijk ongekunstelde, oprechte bewondering, die hij had overgedragen op de leden van zijn gezin. Zijn dochter luisterde vaak naar tekst en muziek van Drs.P, verklaarde hij. En gaf als voorbeeld: Trojka hier, trojka daar. It's in the air.
De titel van het lied in kwestie is 'De dodenrit', maar het zinnetje 'trojka hier, trojka daar' dat terugkomt in een absurd-dolzinnige refreinige coda, heeft die titel in het collectieve geheugen, in de volksgunst mogen we wel zeggen, verdrongen. Agnes Jongerius heeft mijns inziens daarvan enkele dagen na de schilder aan het Singel, het bewijs geleverd.
De ware taalkunstenaars laten zinnen na die ons bijblijven. Brederode, Vondel, Kloos, Perk, Bloem, Marsman, Kloos deden het. Elsschot deed het en Nescio. En ja, Marnix van St.Aldegonde natuurlijk. En Heinz Polzer dus.
Ik voelde me vereerd dat hij een glas wijn met me wilde drinken in het café 't Molentje, op de hoek van het Singel en de Molengasthuissteeg. We haalden herinneringen op, speciaal aan Indonesië, dat hij kent van een zesjarig verblijf, ooit. Deze dichter is wereldburger.
We waren de enige gasten in het cafeetje en beleefden genoegen aan ons gesprek. Zijnerzijds hoorde daar het opsteken van een sigaartje bij. Welverdiend, zou je zeggen, voor een taalkunstenaar van wie elke Nederlander houdt. Toen hij op het sigaartje genotvol tevoorschijn haalde, herinnerde een hittepetitje achter de bar aan het rookverbod.
Hij gaf zonder morren gehoor, schoof de sigaar gelaten terug in de doos. Geen man om stennis te maken. God slechts hoorde hem brommen.
Wat voor een land zijn we toch geworden, waar we zó omgaan met onze coryfeeën.
