Polzers paradoxen

Je zou kunnen denken dat het geheim van Polzer schuilt in zijn meest evidente paradox: een Zwitser te zijn wiens moedertaal het Nederlands is. Hij hanteert onze taal als een violist die een Stradivarius in handen heeft..
Of schuilt zijn geheim in een andere paradox? Dat hij zich vertoont als een altmodische heer, die onbeschaamd en verfijnd, immorele en absurde gruwelen bezingt?
Een laagje dieper is ook een paradox te vinden. Polzer diept uit onze Nederlandse taal het specifieke op en laat dat schitteren. Maar die schitteringen laat hij constrasteren met realiteiten waarvan we het bestaan het liefst zouden ontkennen.
Het hoort bij onze Nederlandse volksaard om onaangename feitelijkheden verbaal onder het tapijt te vegen. Het eufemisme is misschien wel nergens ter wereld zo populair als onder ons, Bataven.
Luister hoe het lied 'De dodenrit' begint:
We rijden met de trojka door 't eindeloze woud
Het vriest een graad of dertig, het is winter en vrij koud
Dertig graden onder nul, en we zeggen: vrij koud. Het woordje 'vrij' dienst om het onbehagen en de angst te verbergen. Laten we ons niet aanstellen. Vooral geen overdrijving, vooral geen pathetiek; we houden van understatement.
Wanneer er wolven achter de trojka aan rennen en steeds dichterbij komen, dan heet het:
Zij zijn nog vrij ver achter ons, ik zie ze echter wel
Het is een hele massa en ze lopen nogal snel
In het gebruik van het understatement herkennen we onszelf. Er was ooit een humoristisch blad dat 'De Lach' heette en dat een lijfspreuk had: 'Wie lacht niet die de mens beziet'. Ja, en omdat we zelf mensen zijn, komt onze lach voort uit herkenning van onszelf.
In 'De dodenrit' wordt geprobeerd om èn de angst èn de immorele bereidheid van de bezongen hoofdpersoon om vrouw en kinderen overboord te kieperen om het vege lijf te redden overstemd door gezang. Dat gezang is aanvankelijk feestelijk tijdverdrijf.
Wij zijn op weg naar Omsk, maar de weg daarheen is lang
En daarom vullen wij de tijd met feestelijk gezang
Ze zingen overbekende liejes. Een staalkaart uit ons nationaal zang-erfgoed.
Onder moeders paraplu.
O, wat zijn wij heden blij.
In Den Haag daar woont een graaf.
Daar was laatst een meisje loos.
In een blauwgeruiten kiel.
Hoeperdepoep zat op de stoep.
Allengs wordt het gezang een volslagen absurde bezigheid die het wrede gebeuren overstemt. Het is dermate absurd dat we er zonder enige gêne om lachen.
Als uiteindelijk de vader zijn kroost en zijn vrouw zonder de gewenste uitwerking heeft geofferd aan de wolven, ziet hij Omsk vlakbij.
Ik zing nu weer wat lustiger want Omsk komt in zicht
Ik maak een sprong van blijdschap en verlies mijn evenwicht
Terwijl de wolven mij verslinden, denk ik "Dat is pech
Ja Omsk dat is een mooie stad, maar net iets te ver weg"
Zo kunnen we na al dat lachen om de opgeroepen immoraliteit ook nog een lach van opluchting hebben tot slot: de boosdoener krijgt zijn verdiende loon. Een meesterstuk.
