Polzers taalwellust

Hoe komt het dat een schilder tussen Raadhuisstraat en Gasthuismolensteeg, een vakbondsleidster en menig andere Nederlander de dichter Heinz Polzer vooral associëren met zijn regel Trojka hier, trojka daar?
We moeten het antwoord zoeken in de poëtische potentie van het lied. Poëtische potentie heeft een tekst die schoonheid heeft en vindbare betekenis, en die bovendien ons gevoel mobiliseert.
De inhoud van het gezongen gedicht 'De dodenrit' is verrukkelijk absurd. Niemand kan het horen zonder er smakelijk om te lachen. Het verplaatst ons bovendien naar een situatie ergens ver weg, zodat het lied een exotische touch krijgt, dank zij dat woord 'trojka'.
De taal moet de doorslag geven om te kunnen zeggen dat er van schoonheid sprake is. Er is ikoniciteit in het ritme van het zinnetje 'trojka hier, trojka daar'. Het taalritme beantwoordt aan de onstuimige vaart van de voortsnellende paarden. Daarin schuilt, vermoed ik, zelfs in de eerste plaats het poëtisch geheim. De slagkracht van het ritme in de Nederlandse poëzie kan moeilijk worden overschat.
Let op de geraffineerde afwisseling van dactylen en anapesten in
Basgitaar en klapsigaar
Trojka hier, trojka daar
Dan is er klankschoonheid. Al die woorden die rijmen op 'daar'. Het ene rijm is nog onverwachter dan het andere. Zegevierende absurditeit, die past bij de zegevierende absurditeit in de wereld, in het leven - Polzer laat het ons impliciet voelen. Dat alles in een talige paradox, want dat inhoudelijke contrasteert met de juichende a-klank.
Kijken we in dit verband nogmaals naar
Basgitaar en klapsigaar
Trojka hier, trojka daar
De twee versregels rijmen op -aar. Maar binnen de eerste regel is ook nog een binnenrijm op -aar. En of het niet genoeg is is er in die regel ook nog een assonantie, verzorgd door het fonetische broertje van de open aa, namelijk de gesloten a van bas en klap. En zelfs de meest ongeschoolde onder ons weet het: de a-klank, onze meest open klinker, is an sich een vreugdekreet. Ha! en Aha! nietwaar? (Wie door zijn ouders Aartinus Jan Aaldert is genoemd mag niet mopperen.)
In het Frans zou men zeggen: voilà de la poésie pure. Polzer heeft het geproduceerd, zoals gezegd, en dat zonder een spoor van zwaarwichtigheid. Zo zien we het graag in ons land dat anti-pathetiek hoog in het vaandel draagt.
En dan vooral: we juichen graag mee bij het ervaren van Polzers taalwellust. Want, laten we eerlijk zijn, alles wat hij aan sonoriteit voortovert getuigt van zijn vermogen om een taalorgasme te bereiken.
