Skip to Content

De stille heide

De stille heide

In de Hazenstraat, huiswaarts terugwandelend van het boodschappendoen op de Elandsgracht, hoorde ik mezelf ineens neuriƫn. Het zal het oudworden zijn. Na het oversteken van de Rozengracht, in de Akeleienstraat, kwamen zelfs de woorden.

Op de grote stille heide
Dwaalt de herder eenzaam rond
Wijl zijn witgewolde kudde
Trouw bewaakt wordt door zijn hond.

Daarna ben ik even een regeltje kwijt, maar dan komt de rest toch:

Denkt de herder och hoe ver
Hoe ver is mijn heide
Mijn hei hei heide.

Het is niet alleen de droom van de voorstelling, zo'n eenzame herder in dat vreedzame mooie landschap met die lieve onschuldige volgzame schapen en die hond, wel een onderknuppelige uitslover maar ja trouw, dat is al heel wat. Zelfs niet alleen maar de sentimentaliteit over de herinnering aan de dagen dat ik dat zong met de vriendjes van de lagere school of met m'n vader en zuster bij de afwas na het avondeten. Het is ook het fluweel van de taal: het witgewolde van die kudde.

Dat terwijl tot wijl wordt om wille van het ritme, is het niet heerlijk? Zo wordt er zelfs een alliteratie geboren. En zelfs het vermoeden van een dubbelzinnigheid: zou dat 'wijl' misschien ook een beetje de antieke betekenis kunnen hebben van 'omdat'? Het is onzin maar het speelt door m'n hoofd, terwijl ik de hoek omsla van de Bloemstraat bij de Lijnbaansgracht. Met onzin, domweg gelukkig...