Baudelaire over God

Baudelaire is in mijn ogen de meeste geniale van alle dichters die er zijn en er waren. Ik ga vaak even bij hem langs op het Cimetière Montparnasse, waar ik nogal eens rondwandel. De arme. Hij ligt daar begraven tussen zijn beminde moeder en de verafschuwde stiefvader die ze hem aandeed.
Ik zal het nu eens niet hebben over de twee dichtregels uit 'Recueillement' waarover ik het elders al gehad heb: misschien wel de allermooiste ooit. (Sois sage, ô ma douleur, et tiens-toi plus tranquille. Tu réclamais le soir, il descend, le voici.)
Ik zal het hebben over wat heeft heeft geschreven in een tekst (Mon coeur mis à nu) waarin hij recht voor de raap neerschreef wat hij vond van dingen van belang.
Wat is liefde?
De behoefte om buiten zichzelf te treden.
De mens is een aanbidder.
Aanbidden, is zichzelf opofferen en zich prostitueren.
Liefde is dus altijd prostitutie.
Dit aforisme van Baudelaire zal, vermoed ik, niet iedereen bevallen, vooral gezien de negatieve connotatie die over het algemeen aan het woord 'prostitutie' wordt toegekend.
Laten we kort en krachtig formuleren wat de grondslag van prostitutie is: de bereidheid om zich over te geven aan wie dan ook. Die zienswijze maakt het Baudelaire mogelijk om, sprekend over God, een sweeping statement te plaatsen:
Het meest geprostitueerde wezen is het meest wezenlijke wezen, dat is God. Hij is immers de opperste vriend voor ieder individu. Hij is het gemeenschappelijke en onuitputtelijke reservoir van de liefde.
