Onbeduidend
In Nederland zijn publieke omroep en commerciële omroep de voornaamste verzorgers van programma's op radio en televisie. Het verschil tussen beiden is gering. Gemeenschappelijke doelgerichtheid: zo groot mogelijk kijkertal (inkomsten!). Middel: onbeduidendheid.
Als ik daarover nadenk, stel ik mezelf een taal-vraag. Moet ik kiezen voor het woord 'onbenullig' of voor 'onbeduidend'? Ik heb een lichte voorkeur voor 'onbeduidend'. 'Onbenullig' houdt een waarde-oordeel in. 'Onbeduidend' klinkt wat zuiverder semiotisch: veel programma's hebben nauwelijks iets te betekenen.
Natuurlijk moet ik vóór alles erkennen dat mijn generalisatie onrechtvaardig is voor de uitzonderingen. Er is kunst bij de AVRO, ernst bij de EO, KRO en NCRV, doorwrochtheid bij de VPRO. Maar wat een tsunami van walgingwekkends daarnevens, bij voorbeeld bij de Verenigde Arbeiders Radio Amateurs.
Bij de VARA is men, lijkt het, graag platvloers, schunnig, neerbuigend, vernederend en minachtend. Kampioen is de VARA op het vlak van de onbenulligheid. Bijna had ik hier al 'onbeduidendheid' gezegd, maar in dit alineaatje permitteer ik het me om nog even om een waarde-oordeel niet te mijden.
Waar komt die keuze vandaan? Je kunt zeggen: het kijk- en luistervolk wil niet anders. Je kunt ook stellen: Het gebeurt met opzet. Met een andere opzet dan de bedoeling om te scoren met goede kijkcijfers.
Dat voert tot een volgende vraag: wat kan die andere opzet wel zijn?
Ik heb er over nagedacht. Het antwoord kan ik formuleren in een eenvoudig maxime: onbeduidendheid is goed voor de economie. Daar waar 'goed voor de economie' prioriteit nummer één wordt, bloeit de onbenulligheid.
De media-redenering is als volgt. Onbeduidendheid is onschuldig, daar houden de mensen van en er kan moeilijk publieke verontwaardiging over ontstaan. Wie de geesten voedt met onbeduidendheid kan door onoplettenden zelfs als een soort weldoener worden beschouwd. Wie oplet beseft dat voortgezette voeding met onbeduidendheid leidt tot imbecilisering van de massa.
Een domme massa laat zich gemakkelijker dan een slimme massa (bestaat dat?) verleiden tot imbecielig consumptiegedrag. Imbecielig consumptiegedrag is goed voor de economie. Uiteindelijke conclusie: gezien het uitgangspunt (economische gezondheid wordt afgemeten naar consumptiegedrag van de massa) is onbeduidendheid in de media goed voor de economie.
Quod erat demonstrandum.
