Skip to Content

Palimpsest

Palimpsest

Het goede van oud worden is dat de wereld vol palimpsesten raakt. Een palimpsest is een verdwenen werkelijkheid die zichtbaar blijft achter een werkelijkheid die je onder ogen hebt.

Het woord stamt uit de tijd dat een op perkament geschreven tekst werd weggekrabd. Zodat datzelfde perkament kon worden gebruikt voor een nieuwe tekst.

Zoekers naar teksten van weleer hebben er baat bij als ze achter die nieuwe tekst de oorspronkelijke nog kunnen oncijferen, omdat het wegkrabben maar gedeeltelijk gelukt is. Die oude tekst is dan wel eens intrigerender dan de nieuwe.

Wanneer ik het over de palimpsesten in mijn Umwelt heb, gebruik ik het woord uiteraard figuurlijk. Achter nieuwe huizen, nieuwe bewoning, nieuwe puinhopen, ziet mijn geestesoog nog de beelden van vroeger, een cafeetje, een winkel, een theater, de mensen daarbij, mensen van ooit.

Wanneer ik, Amsterdammer, de Eerste Jan Steenstraat bijna uitgefietst ben in de richting van de brug die naar de Balthasar Floriszstraat leidt, gaat mijn blik altijd even naar een van de laatste huizen links. Alles keurig opgeknapt, vernieuwd, maar mijn geest verwijlt altijd nog even in het ongelooflijk smoezelige snoepwinkeltje dat ik daar frequenteerde. Vóór de oorlog. Waarmee gezegd wil zijn: vóór 1940. 'De koperen cent' heette deze negotie, want zelfs met zo'n cent kon je daar iets kopen. Katjesdrop, griotten. Zwart op wit. Zoethout. Een lolly. Zelfs voor een halve cent, een hallevie, kon je iets heel minimaals verwerven. Voor de munt die tweeëneenhalve cent waard was en een halve stuiver werd genoemd, kreeg je véél, in aantrekkelijke diversiteit.

Naast 'De koperen cent', op de hoek van de straat, was de bakkerij van Hoeve. Tijdens de bezetting heb ik er veel in de rij gestaan, met de distributiebonnen in de hand. Je moest vaak lang wachten voor je aan de beurt was. Het kon me niet lang genoeg duren, want dromerig keek ik naar de kleine prinses achter de toonbank, die het pannebrood of het casinobrood aangaf. Voor mij op dat moment het meest adorable wezen op aarde.

En nu, in de Marnixstraat, tegenover de artisteningang van de Stadsschouwburg, zie ik een gat in de stad. Daar is het De la Mar Theater al tot een puinhoop gereduceerd. Ik kan er niet langs komen zonder me Ko van Dijk voor de geest te halen. Hoe hij, in dat theater, na twintig minuten voor het einde van het stuk al van het toneel te zijn verdwenen, weer terug kwam wanneer het doek gevallen was en daarna weer was opgehaald voor het danken. Al had hij ruim de tijd gehad bij te komen van zijn artistieke inzet, ademde hij dan nog zwaar, als om aan te geven dat toneelspelen iets was dat zware inspanning vroeg aan geest en aan lichaam. Hij kon schmieren als geen ander. En hij was voor mij onbetwist de grootste acteur die ik op de Nederlandse planken heb gezien.

Verderop in de Marnixstraat, waar de oude toneelschool zijn functie is kwijtgeraakt, hebben hij en ik nog buiten, bij de witte deur, gewacht op geliefden, die na hun lessen bij Ben Groenier en Ank van de Moer, naar buiten kwamen. Ik stond daar en zag. Ko drentelde terzijde, in de rol van een toevallig dralende voorbijganger, met de kraag van zijn regenjas op. Opvallend onopvallend. Verliefd was hij, net als ik. Er was echter verschil: hij was een Bekende Nederlander en dan moest je, ook in 1955, uitkijken voor indiscrete ogen. In mijn onschuldige onbeduidendheid had ik die zorg niet.

Met mijn innerlijk oog zie ik dat. Daar waar anderen wellicht niets zien, of iets geheel anders. Dank zij de hoogstpersoonlijke semiotische werking van hoogstpersoonlijke tekens. De palimpsesten in ons leven worden met het schrijden der jaren talrijker, intenser. Het is waar: de ouderdom dwingt ons, nolens volens, tot onthechting - we hollen en dollen niet langer als voorheen. Maar de compensatie is: de verrijking die het geheugen te bieden heeft. Laten we het daar maar op houden.