Patserogene kunst

Ben ik dit jaar al weer niet op de Miljonair Fair geweest. Niet dat uit de toon zou vallen, want met mijn overjarige kop, en als ik m'n haar goed kam en me in stijl laat aankleden, zou ik er heus niet uit de toon vallen. Maar ik was buitenslands en er voor overkomen? Nee. Nou ja, uitgenodigd was ik ook niet.
Ik las er wel over. Dat 'ook kunstliefhebbers er volop aan hun trekken kwamen', afgezien van de aanbiedingen van jachten, buitenverblijven en andere snuisterijen voor de rijken. Er waren werken van Andy Warhol, Roy Lichtenstein, Pablo Picasso en Damien Hirst, om er maar een paar te noemen.
Laten dat nou precies kunstenaars zijn met wie ik niks maar dan ook niks heb. Lang heb ik in de eenvoud van mijn ziel het idee laten sudderen dat mijn afkeer voortkwam uit de overtuiging dat ze bewonderd worden wegens beroemd. En dat hun roem louter is gegenereerd door de aansluiting die toonaangevende kunsthandeleraren weten te leggen tussen enerzijds hun werk, hun gebed-zijn in spraakmakende en smaakbepalende artistieke netwerken en anderzijds het onbenul en snobisme van de welgestelde medemens.
Vaak heb ik me afgevraagd hoe dat gebeuren kon met werk dat lelijk is en onbeduidend. Hoe kan het zo zijn dat dàt werk wel bij de patsers terecht komt en ander, vaak veel beter en interessanter werk niet?
Ik heb, geloof ik, het antwoord gevonden. Het werk van de bovengenoemden, te vinden op de Fair, is patserogeen.
