Piem
'Als mijn geheugen me niet bedriegt vermeldt Kees van Kooten ergens in zijn geschreven oeuvre dat hij, liggend in het bad, van zijn piem zeven dieren kan vormen, waaronder één heel enge.'
Zo begon ik een van de columns die ik in het Utrechts Nieuwsblad schreef. Het was eind 1981. Of Koot het nog steeds doet, nu, ruim een kwart eeuw later? Ik weet het niet. Het valt te betwijfelen. Inventieve mensen veranderen hun gedragsgewoonten in de loop der tijd.
Ik spreek hier ook voor mezelf. Laat ik het uitleggen. Ik verklaarde in diezelfde column schertsend dat ik met Koot op dit gebied, zonder dat hij het wist, een competitie aanging. Dat doe ik al heel lang niet meer. Eigenlijk weet ik niet meer zeker of ik het wel heb gedaan. Het is denkbaar dat ik het zei om een beetje aandacht te trekken.
Weinig kon ik vermoeden dat ik, toen ik dat geschreven had, er achter mocht komen dat op zijn minst één aandachtige lezer had. Iemand, een professor aan de universiteit van Utrecht, schreef een brief met de volgende inhoud.
'In het Utrechts Nieuwsblad van 28.11.1981 verscheen een artikeltje in de rubriek "Bekeken Zaak", die verzorgd wordt door Aart van Zoest. Het is mij onbegrijpelijk dat een redactie een dergelijke "bijdrage" laat passeren. De schrijver is bij de Universiteit als wetenschappelijk medewerker bij het Frans en Occitaans Instituut bekend als Dr.A.J.A.van Zoest. Hoewel het stukje niet in het kader van de universiteit is geschreven vind ik wel dat het een blaam werpt op de schrijver en het instituut. Dit is de reden dat ik dit schrijf. Wat ik als zenuwarts van de schrijver denk, laat ik onbesproken.'
Het eigenaardige was dat die brief niet aan mij gericht was, maar aan het hoofd van de secie waarbinnen ik werkte. Zeg: mijn baas. Die heeft de briefschrijver dan ook geantwoord dat hij er beter aan had gedaan om zich tot de column-schrijver zelf te wenden. Dat geschrijf in een krant had toch niets met het universitaire werk te maken.
Ik vond de teksten waarop dit kleine incident betrekking had eergisteren terug. Natuurlijk dacht ik: ik zou als schrijver niet nalaten om uit te spreken wat ik over zo'n zenuwartsige professorale klikspaan vind: een belachelijke figuur. Maar wat doet dat er toe. Ik hoop eigenlijk vooral dat ik nieuwsgierigheid heb gewekt naar de verdere inhoud van mijn column van toen.
Er is er minstens één die dat wel eens lezen wil, dat weet ik. Dat is mijn webmaster. Zodat ik speciaal voor hem die column, apart, nog een keer ga overschrijven.
