Skip to Content

De zang herkennen

De zang herkennen

Om te paren en te baren leggen de pinguïns een waggeltocht af van zo'n honderd kilometer landinwaarts. Daar verzamelen zich honderden soortgenoten, die hetzelfde willen. Als de partner gevonden is, het ei gelegd en uitgebroed, dan komt het moment dat de dappere piguïnmevrouw, na maanden vasten, zich nodig moet gaan voeden in de zee.

Een flinke tocht, maar je moet het er voor over hebben, om te overleven en bovendien de kleine, na terugkeer, uit de krop te voeden. Na het heerlijk zwemmend eten weer een flinke tocht terug.

Bij die terugkeer treft ze een duizendkoppige opeengedrongen menigte aan, veelal heren die hun kroost beheren. Hoe vindt ze in die massa haar bloedeigen kind en haar oppassende echtvriend terug?

Aandachtige biologen leren ons dat het gebeurt door herkenning van de schreeuw. Het is ongelooflijk, dat ze dat kunnen, rondgaande temidden van al die verschillende schreeuwen, voor ons mensen volkomen verwisselbaar: ze weten hun specifieke ringtoon er uit te pikken. Nog ongelooflijker is het dat ze niet op één wijsje letten, maar op twee, die gelijktijdig op verschillende toonhoogte worden geproduceerd.

Ik denk metaforisch, het Goethe-gezegde indachtig dat al het vergankelijke er voor ons alleen maar is om als gelijkenis te worden geïnterpreteerd. Alles Vergängliche ist nur ein Gleichnis, nietwaar.

Ik denk: zo zoeken wij ook naar hen die we willen beminnen. We luisteren naar hun twee liedjes van deep down. Het ene is het hooglied van hun lichtende ik. Het andere is het laaglied van het duistere ik, waar we een mysterieuze, onverklaarbare affiniteit voor voelen.