Skip to Content

Broeder Quasimodo

Broeder Quasimodo

Ik voelde me als een broer van Quasimodo, de gebochelde klokkenluider van de Notre Dame. Vanaf zijn plek boven in de kathedraal ontstak hij dermate in woede dat hij kokend lood uitgoot over mensen daarbeneden.

Althans, zo staat het in de 'Notre Dame de Paris', van Victor Hugo. Quasimodo was uitzinnig kwaad op het gepeupel dat op het voorplein van de kathedraal samendromde met de kwaadaardige bedoeling om het zigeunerinnetje, met haar geitje, te pakken te krijgen. Het meisje was, asiel zoekend, de kerk binnengevlucht.

Mijn woede was van de ingehouden soort. Het was 1951. Voor het eerst van mijn leven was ik in Parijs. Waar ik toen wel mijn leven lang had willen blijven, vooral omdat ik de stad ongeveer wilde beleven als Jallez en Jerphanion, hoofdpersonen van de enorme roman van Jules Romains, 'Les hommes de bonne volonté', die ik van begin tot einde had opgesmuld.

Ik was zo stom geweest om tevoren over mijn reisplan te praten in tegenwoordigheid van Wiecher. Die zei 'Dan ga ik met je mee' en ik had, laf, niet gezegd 'Daar komt niks van in'. Hij liep steeds naast me door de Heilige Straten waarover ik had gelezen en waarvan ik had gedroomd. Nee, niet naast me. Steeds 45 centimeter schuin-vóór.

Als ik de pas versnelde, versnelde hij de pas eveneens. Ik moet toegeven: moordlust nam bezit van me. Het stomste was dat ik niets zei.

Bij de Notre Dame gekomen, besloten we ook naar boven te gaan. Hoog aan de voorkant heb je een grandioos uitzicht over het voorplein, over de Seine. We stonden er alleen, geen andere toerist te zien.

En wat schoot er door mij heen? Niemand te zien. Noch beneden, noch op ons niveau. Ik kan hem over de rand duwen. En aan de politie uitleggen: hij boog te ver over. Niet gedaan uiteraard. Tussen droom en daad....

Vandaar dat ik me even broer van Quasimodo voelde, al gaat de vergelijking in enkele opzichten mank (Esmeralda, gepeupel, lood, bochel).

Hoe kom ik hier nou ineens bij? Door het lezen van 'Over de liefde' van Doeschka Meijsing, waarover ik het nog hebben ga. Mijn plezier bij het lezen van haar boek heeft onder andere te maken met momenten van herkenning.

Een voorbeeld. De ik-zeggende hoofdpersoon in 'Over de liefde', Pip, is met haar geliefde, Jula, in Toscane. Jula stelt een fietstocht voor in het heuvelland.

'Ik trapte er niet in. Ik had mijn lesje geleerd. Eerst tijdens gezellige fietstochtjes langs de Amstel. Dat leverde het probleem van het voorwiel op. Dat van Jula lag altijd een halve lengte voor. Probeerde ik sportief te zijn en wat harder te trappen, om bijvoorbeeld tijdens het fietsen nog wat conversatie gaande te houden, dan trapte zij ook maar wat harder, ad infinitum, totdat we en slotte in vliegende vaart Abcoude bereikten.'

Dat is het kostelijke cadeau dat literatuur ons, lezers, bezorgen kan: de herkenning en de bijbehorende Achja-Erlebnis.