Roodborstje

Nu het buiten koud is leggen kleine gevederde vrienden elke schuchterheid af. De merels en de mezen deden het gewoonlijk al, kou of niet. Maar nu komt toch ook het roodborstje tevoorschijn in de tuin.
Als kind heb ik het gezongen, 'Roodborstje tikt tegen 't raam tik tik tik. Laat mij d'r in. Laat mij d'r in. 't Meisje deed open en gaf op haar schoot, korreltjes suiker en kruimeltjes brood. Dat was het roodborstje recht naar de zin. 't Vloog er het bohos niet meer in.'
Dat zit er niet in, in onze tuin. Teen het raam wordt niet getikt. Dit roodborstje tikt met zijn snaveltje vinnig tegen de vetbal die ik aan een tak heb gehangen. En vliegt weg als de twee koolmezen komen aanvliegen, al gedragen die zich nog zo on-offensief.
Ik geloof zelfs dat ik hem een beetje bang maak wanneer ik zijn doen en laten van achter het glas bekijk. Hij wendt zijn kop op de typische roodborstenwijze en kijkt me scherp aan met zijn typische roodborstenblik. Dat zegt niets, ik weet het, want die felle oogjes heeft hij altijd bij zich. Ik mag al blij zijn als een roodborstje bij mijn nadering zijn boosheid niet toont door met vinnige frequentie de pootjes te buigen en te strekken onder het werpen van blikken die willen doden, wat je in dit geval wel disproportioneel mag noemen. Of buitensporig, zo men wil.
Mijn vrouw kende die gewoonte nog niet. En omdat ik nooit te beroerd ben om iets uit te leggen, heb ik even voorgedaan hoe het roodborstje dat doet. Zo kon ik haar ook ongewild weer eens aan het lachen krijgen.
