Skip to Content

Vuur!

Vuur!

Pepijn is een homo faber. Een bouwer. Hij is het mensentype waarvan wel gezegd wordt 'wat zijn ogen zien kunnen zijn handen maken'. Zijn levensvreugde ligt nog meer in het maken zelf dan in het bereikte resultaat. Hij bouwt nu zijn tweede huis in Frankrijk, in Bourgondiƫ.

Wanneer hij daar is, gaat hij geestdriftig op in de aanwezige dorpsgemeenschap. Terug in het vaderland heeft hij dan prachtige verhalen te vertellen. Met de burgemeester heeft hij een goed contact; die is bereid hem te helpen met alle formaliteiten. En laat hem merken dat hij er niets tegen heeft dat een vreemde eend zich komt voegen in de bijt van de locale autochtonen. Die nemen hem ook op als nieuwe goede buur.

Pepijn participeert graag in het gemeenschapsleven ter plekke. Is er gemeenschapsleven? Zeker. Hij is nog maar net terug van een jaarlijks locaal evenement: les feux de la Saint-Jean.

Dat is het vuur dat elk jaar ontstoken wordt op 24 juni. Dat is de dag van de Heilige Johannes de Doper. Noem het een midzomervuur. Want de dag van de Heilige Johannes de Doper valt vlak na de zomer-zonnewende, de langste dag van het jaar. Een feest met een heidense origine dus.

De mensen uit het dorp en de dorpen rondom komen bij het grote vuur samen, in hun zondagse outfit. Geest houdt in: goed eten en drinken. Bourgondische wijn uit de streek uiteraard. Het is als vreemdeling zaak om goed op te letten over welke wijn je een gunstige oordeel velt. Die uit de buurt. Andere kun je beter met een vies gezicht uitspugen. Die is van verderop.

Vroeger was het een landelijke traditie, die inhield dat er rond het vuur werd gedanst en dat sommigen een sprong maakten over het vuur. Zo'n springer sprong mocht verwachten dat hij spoedig een geliefde naar het altaar kon leiden of in ieder geval geen steenpuisten zou krijgen of reumatiek. Ik heb Pepijn daar niet over gehoord. Het is al mooi dat hij getuige heeft kunnen zijn van een goede oude Franse traditie. Hij vertelde dat hij vroeger dan de doorzakkers naar zijn huis-in-aanbouw is terug gegaan om uit te rusten van een lange dag van werken en feesten. Over het einde van het feest kon hij geen verslag doen.

Ik weet dus niet of in Le Maupas de gewoonte bewaard is gebleven dat tot slot iedere aanwezige een stuk half afgebrand hout mee naar huis neemt. Dat bewaarde je dan tot volgend jaar. Je kon het rustig aanpakken, want het geloof wilde dat je je niet brandde aan het vuur van de Heilige Johannes. Met dat stuk hout in de kast was je beschermd tegen brand, blikseminslag en bepaalde ziektes.

Wel weet ik dit: in het handhaven van zijn tradities geeft een land een teken af dat me deugd doet. Dat het niet kapot te krijgen is.