Lelijk is in
Lelijk is in. Ik moet daar vandaag mijn knorrigheid maar eens even over kwijt. Waarom in godsnaam kan ik niet buiten de deur komen zonder te struikelen over spijkerbroekdragers van alle beschikbare geslachten en leeftijden?
Welke betekenis moet een eenvoudig semioticus, die aan dit weerzinwekkend conformisme niet mee wil doen, toekennen aan dit verschijnsel?
Ik opper een paar hypothesen.
Aan de basis van het spijker-succes ligt de kuddegeest, die het veilige gevoel van d'r bij te horen genereert.
De spijkerbroek is in de westerse wereld het ondergordelse culturele equivalent van de boerka's en djellaba's elders.
Er hoort een loodzware ideologische connotatie bij: de jeansmens is een welgestelde die net doet of hij het niet is. Het rafelige en gebleekte blauw is het teken dat men zijn rijkdom verbergen wil - uit schaamte, denk ik.
Of dat allemaal nog niet voldoende is: het is zo hartverscheurend lelijk. Dat is het ergste. Conformisme, kuddegeest, hersenloos meedoen met de anderen, het is doodeng, bedreigend. Alla. Maar de wereld met onnodige lelijkheid besmeuren, het is een vernietiging van schoonheid, de zuurstof waar mens en wereld niet buiten kan.
De spijkerbroek mag er niet nieuw uitzien. Versleten, gescheurd en uitgebleekt moet het wezen. Voor dat laatste moest je vroeger met de broek aan uren in bad blijven, ook al om de nodig nauwsluitendheid te bereiken bij het opdrogen. Dat kon levensgevaarlijk blijken. Dat hoeft nu niet meer, omdat het ding al lelijk en wel wordt aangeleverd, dank zij het gebruik van de meest gesofistikeerde technische hulpmiddelen, zoals - geloof het of niet - laserbestraling.
Soms zeg ik grapsgewijs dat ik de spijkerbroek, en lelijkheid in het algemeen, verbieden zal wanneer ik de macht in de wereld gegrepen zal hebben. Kan ik gemakkelijk zeggen, want het komt er niet meer van. Alles wat ik doen kan is dit: niet meedoen.
