
Vrouw Domper had in haar tuin een vijvertje. Daar dreven waterlelies in, die erg mooi waren. En boven die waterlelies vlogen heel vaak paarse libellen. Vrouw Domper kon daar uren naar zitten kijken. Ze rookte dan wel eens een pijpje; dan was ze echt in haar nopjes.
Op een dag zat ze zo weer, op een steen vlak naast de vijver; wat hoorde ze daar? Kwaak-kwaak. Wat was dat nou? Een kikker stak zijn kop boven het wateroppervlak en keek Vrouw Domper aan met bolle ogen. Zijn wangen werden ook bolrond. Elke keer als hij kwaakte leek het wel of hij aan het bellenblazen was met zijn wangen.