Alles wat Jan Mankes schilderde krijgt onder zijn penseel een unieke intensiteit, of het nu zijn zelfportretten zijn, planten of dieren. Neem het parelhoen. Het schilderij is te zien in Museum Belvédère in Heerenveen.
We zijn het erover eens: de boom moet gerespecteerd en bemind worden. De boom is mooi. De boom is sterk. De boom is weldadig. De boom is genereus (denk aan de zuurstof). Het belangrijkste: de boom is wijs.
De Bloemgracht in de Jordaan heeft zijn sieraden. Gevels uit vroeger eeuwen. Romantische bruggetjes. Zwanen, ganzen, eenden, meeuwen, meerkoeten, drijvend in het water, naast de bootjes. En aan de wallekant vooral: de iepen.
Ik doe het niet, maar ik zou er wel uren naar kunnen kijken, naar de juffertjes in het groen die in een blauwgroen vaasje op mijn bureau staan, naast de computer en een houten dolfijntje dat mij als souvenir uit Lovina (Noord-Bali) heeft bereikt, meegebracht door Luhtu Sri Adnyani, welbekend aan lezers van Nynade.
Tweede Pinksterdag. 12 mei 2008. Elf uur in de morgen. Opnieuw een stralende dag. Zo verwent mei ons dit jaar. Ik zet me neer in de tuin, sla de benen over elkaar. Zowaar komt er een vermoeide bij even uitrusten op mijn knie.
In de Metro van vandaag (1 april 2008) een foto van olifanten. Het onderschrift leert ons dat ze deelnemen aan een olifanten-toernooi in de noordelijke Thaise provincie Chiang Rai. Teams uit achttien landen doen mee met 28 olifanten. Ik speur de foto aandachtig af. Is dat de mijne, die mijn leven redde?
Luttel gepiep in de iep voor de deur. Gelukkig beweegt ie, want anders zou je hem niet zien - zijn schutkleur maakt hem onzichtbaar. Hij is mij, begin februari, een bode van de lente aan de Bloemgracht. De boomkruiper.
Drie tenen hebben ze, de drieteenstrandlopers. Ik begrijp dat wel. Ze hebben daar genoeg aan om hard heen en weer te rennen. De golf rolt terug, van het strand af. Ze rennen met hem mee, achter hem aan. Dan rolt de golf terug van de zee naar het strand. Ze rennen voor 'm uit; ze spelen geinig of ze bang voor 'm zijn. Quod non, geloof ik.
Ik fiets langs de Amstel ter hoogte van het gebouw dat ooit het stadsarchief herbergde en nu leeg staat. In de Amstel liggen woonboten gemeerd, maar er is nog ruimte tussen die bakbeesten en de wallekant voor water, watervogels, waterlelies. En voor de vreselijke troep die de uitgeconsumeerde medemens er in flikkert: plenty plastic in flesvorm. Ik denk aan Frederik van Eeden, bij de waterlelies. En aan Tsjechow, bij die gore flessen.
Er wordt wat afgeleefd in de gracht. Begin juni. Eergisteren trok een eendemoeder voorbij langs de aangemeerde boten aan de overkant. Ik zal het me wel verbeeld hebben, maar ik meende toch echt in de fiere houding van haar kop, de trotse welving van haar borst, waarmee ze het gore grachtwater kliefde, een immens welbehagen te kunnen aflezen. Mijn aandacht was getrokken door de piepgeluidjes. Achter haar dobberden haar kleintjes, kennelijk nog maar nèt uit het ei.